1949 — Het land van de liefde

door Hanna Bervoets

Anna Blaman (1905-1960) wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van haar generatie. In 1957 ontving zij de P.C. Hooft-prijs voor haar verhalend proza, haar bekendste roman is nog altijd Eenzaam avontuur (1948). Het boek werd zowel bejubeld als verguisd: vooral de katholieke pers sprak schande van de vele erotische lesbische passages.

 

Blaman baseerde Eenzaam avontuur op haar verhouding met Alie (‘Alide’) Bosch. Hoewel Bosch uiteindelijk koos voor een relatie met een man, bleef Anna haar beschouwen als ‘vriendin voor het leven’.

 

Tussen 1948 en 1950 onderhield Anna Blaman een affaire met de schrijfster Marie-Louise Doudart de la Grée. De twee schreven elkaar tientallen brieven, over literatuur, schrijversvrienden, alledaagse bezigheden – maar toch vooral over de liefde.

 

Hanna Bervoets gebruikte deze correspondentie voor een drietal stukken: scènes uit een informeel huwelijk.

 

De cursieve passages zijn directe citaten.         

 

------

 

Je opent je ogen. Eerst de desoriëntatie, dan de vragen. Wie ben ik, waar ben ik, waarom ben ik hier?

Jij bent Anna. Je bent in het huis van Marie-Louise, je ligt in haar bed. En jullie slapen, althans, zij slaapt, jij bent, om de een of andere reden, aan het ontwaken.

Hoe laat zou het zijn? Je knijpt met je ogen, kan maar moeilijk wennen aan het donker. Marie-Louise ligt opgekruld van je afgedraaid; ze slaapt nu eenmaal minder fijn met jouw arm om haar.

Je hebt me het land van de liefde binnengesmokkeld, schreef je haar na je vorige bezoek. Ik voel je in mijn buik en in mijn hart en kan me niet anders voorstellen dan dat alle mannen en vrouwen die ogen bezitten elkaars rivalen moeten zijn ten opzichte van jou. Je hart is als een hoogtezon die warmte in me straalt, en in drie dagen zoveel als een gewoon sterveling in heel een zomer nog niet ontvangt.

Het is zo vreselijk gemeend maar je weet ook: zij koos jou.

Zij koos jou en jij zei ja. In die zin heeft jullie verbond wel wat weg van een uithuwelijking– niet door je vader, maar door jezelf: hier, Anna, een wijfje, deze is voor jou, nu niet verder zoeken hè? Nu valt de uithuwelijking op zijn zachtst gezegd bijzonder geslaagd te noemen. Maar wat anderen gedragen ‘het lot’ dopen is in wezen slechts willekeur; de liefde is willekeur, en dat maakt haar misschien des te verraderlijker – men kan zich zo moeilijk verweren jegens wat hij niet zag aankomen.

Dus draag je een servet met haar parfum in de borstzak van je mantelpak. Buig je elke conversatie naar háár om (‘Marie-Louise zei laatst…’). Hoop je, wanneer je weer eens in de krant staat, dat zij die dag die krant openslaat. En schrijf je haar, iedere dag, op sommige dagen zelfs tweemaal, over de mensen die je sprak, de voorstellingen die je zag, hoe de tuin van de buren erbij lag: alleen schrijven kan jouw verlangen tijdelijk temperen. Want schrijven is niet alleen aan haar denken, het is haar ook even vasthouden: met elke letter schenk jij jezelf een brokje van haar tijd, of moet het zijn: met elke letter dwing jij haar jou een brokje van haar tijd te schenken? – hoe het ook zij: alleen wanneer je haar schrijft weet je je ervan verzekerd dat jouw aandacht voor haar zal worden terugbetaald in gedachten aan jou – wat is de liefde anders dan de neiging constant quitte te willen spelen?

Je strekt je arm uit. En je raakt, met je wijsvinger, voorzichtig haar naakte rug aan. Marie-Louise blijft roerloos liggen.

 

O, je weet heus wel dat die vrouw naast je niet bestaat.

 

De vrouw naast je is de vrouw van wie je houdt. Maar wanneer we een ander beminnen, dan beminnen we slechts ons eigen beeld van die ander. Jij bemint dat humorvolle, ijdele, sensuele, heerlijke wijfje dat je van haar gemaakt hebt, zoals zij voor haar schepping van jou gevallen is. Zaak is nu dat zij niet te zeer schrikt wanneer dat beeld straks wat barst, dus waarschuwde je haar maar alvast: Hoe vaak zal het in jou niet zo geweest zijn dat je de liefde liefhad terwijl je dacht dat het je geliefde was? Je geloofde in jezelf en ook in de ander, want dat moet. Maar op een gegeven ogenblik dringt zich onvermijdelijk een andere, ontluisterende, visie op de geliefde aan je op, en dan stort je liefdesluchtkasteel in de afgrond. Het is natuurlijk nooit uitgesloten dat er een vleugel, of maar één vertrek of zelfs maar een heel klein bijna waardeloos rommelkamertje instort van het droomkasteel dat je in korte tijd voor ons samen hebt opgetrokken. Maar een hoop troosteloos puin in een afgrond kan het nooit worden…

Dat laatste was misschien grootspraak. Onvermijdelijk of niet, je zou het vrij akelig vinden als ook maar de kleinste bijkeuken op korte termijn zou instorten. En toch, of misschien juist wel daarom, zei je haar: Ik zet me helemaal in in onze liefde en ik blijf er tevens beschouwend tegenover staan.

Nee, het moet nu niet weer worden zoals toen, met Alide. Toen zij je verliet, verráádde, voelde je je in je hemd in de ijskoude Noordpool gezet: de prijs voor volledige overgave. Dit keer wil ik liefhebben zonder dat die liefde aanleiding hoeft te geven tot de meest negatieve bewustzijnsvernauwingen. Maar: hoe doet men dat?
Ik zal van je houden als een wolf zo gulzig, als een lam zo zachtmoedig, als een hond zo trouw, als een mier zo ijverig, als een mens zo vertederd.

‘Marie?’

Jij engel van me, mijn hart. Ik zou een dichter moeten zijn om je te kunnen uitleggen in ongezegde woorden die tussen de dichterlijk gezegde in liggen, hoe lief ik je had.

‘Marie, ben je wakker, ja?’

Schrijf me, schrijf me dat je ook van mij houdt!

Misschien kunnen jullie weer gaan varen vandaag.

Je houdt niet van varen, voelt je steeds weer ontheemd tussen de knopen en de zeilen en het stuurwiel: als een imker in een staalfabriek. Maar Marie… Hoe zij het dek op en af raast, fier de zeilen hijst, ondertussen nog altijd meisjesachtige gilletjes slaakt bij elk spetter die haar pantalon raakt: het maakt dat je haar bewondert en wilt beschermen tegelijk – is dat een symptoom van verliefdheid? Ja, verliefden zetten de ander op een voetstuk en plaatsen daaromheen meteen een afzetrekje, en wanneer je naar haar kijkt, naar haar reikt, naar die kalme, blanke rug van haar, weet je dat het te laat is. Het is gebeurd, je bent verloren omdat je verliezen gaat – alleen wie liefheeft kan immers kwijtraken – maar: niet vandaag. Zodra zij haar ogen opent, zul jij opstaan. Naar de bakker gaan. Om twee croissantjes en een flinke punt mokka vragen.