Gezongen Snikken en grimlachjes

door Dick Welsink

Johnny Hoes en Piet Paaltjens, een onwaarschijnlijker combinatie is haast niet voor te stellen. Wat kan Hoes, de koning van de smartlap, in 1981 bezield hebben een elpee te maken met twaalf door hem op muziek gezette en gezongen gedichten van de droefgeestige (droevige én geestige) dichter uit de negentiende eeuw?

Van een gedenkjaar was in 1981 geen sprake: François HaverSchmidt, die zich verborg achter de schuilnaam Piet Paaltjens, werd geboren in 1835 en overleed in 1894. De bundel Snikken en grimlachjes verscheen in de tweede helft van oktober 1867, nu dus precies 150 jaar geleden, bij uitgever H.A.M. Roelants te Schiedam, waar HaverSchmidt sinds 1864 predikant was. Zij waren overburen: de pastorie aan de Lange Haven stond schuin tegenover het pand waarin de drukkerij annex boekhandel en uitgeverij gevestigd was.

HaverSchmidt, afkomstig uit Leeuwarden, studeerde van 1852 tot 1858 theologie in Leiden. Hij woonde op kamers op de Hogewoerd, hoek Koenesteeg, bij H.J.P.F. van Ewijk, ‘gepatenteerd doodbidder en nooder ter begrafenis’. Al snel viel hij op door zijn literair talent. In december 1855 verschenen in de Studenten-Almanak voor het jaar 1856 de eerste humoristisch-melancholische versjes van de met een waas van geheimzinnigheid omgeven dichter Piet Paaltjens, zijn alter ego. Ook aan de almanakken voor 1857 en 1859 leverde Paaltjens dichterlijke bijdragen. HaverSchmidt werd in 1856 quaestor (penningmeester) en in 1857 praeses collegii (voorzitter van het bestuur) van het Leidsch Studenten Corps. De ring die hij uit hoofde van deze functie droeg, zit in de collectie van het Literatuurmuseum.
 

Op 3 juli 1859, een jaar na zijn afstuderen in Leiden, werd HaverSchmidt als predikant bevestigd in Foudgum, een klein dorpje in het noordoosten van de provincie Friesland. Hij voelde zich daar zeer eenzaam. Op 25 december 1862 volgde zijn bevestiging als predikant in Den Helder. Kort daarvoor had J. van Vloten negen verzen van Piet Paaltjens opgenomen in het tweede deel van de door hem samengestelde bloemlezing Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw. Deze publicatie moet onder ogen zijn gekomen van Roelants die, enkele jaren nadat HaverSchmidt naar Schiedam was beroepen, zijn kans schoon zag hem te vragen of hij een bundeltje wilde samenstellen.

 

Voor dat bundeltje schreef HaverSchmidt een ‘Levensschets’ van Piet Paaltjens die aldus begint:

 

Er zijn levensgeschiedenissen, die zich uiterst moeielijk laten schrijven. Vooreerst, dewijl ze zoo aandoenlijk zijn, dat men er zich niet mee kan inlaten, of men moet het uitsnikken van ontroering; en dan, omdat ze bijna geheel in den nacht der vergetelheid begraven liggen. – Van al zulke levensgeschiedenissen is die van PIET PAALTJENS de onbeschrijfelijkste.

 

Ondanks verwoede pogingen is het HaverSchmidt niet gelukt om veel feitelijke gegevens uit het leven van Paaltjens boven water te krijgen: het enige dat vaststaat, is dat hij in 1853 student was in Leiden en op de Hogewoerd boven een bidder woonde. Op 9 oktober van dat jaar is hij verdwenen, opgelost in het luchtledige tussen de twee biljarttafels van de sociëteit Minerva.

 

In zekere zin is de elpee van Johnny Hoes net als het leven van Paaltjens ‘bijna geheel in den nacht der vergetelheid begraven’. Op YouTube is er geen spoor van te vinden, in geen enkele fonotheek is hij aanwezig. Wie Hoes met licht Rotterdamse tongval bijvoorbeeld Immortelle nr. C wil horen zingen, zal daar wel wat moeite voor moeten doen: per e-mail een verzoek indienen bij de Studiezaal van het Literatuurmuseum om de van de elpee gebrande cd en afspeelapparatuur klaar te zetten:

Zooals ik eenmaal beminde,

Zoo minde er op aarde nooit een.

Maar ‘k vond, tot wien ik mij wendde,

Slechts harten van ijs en steen.

 

Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,

Mijn hoop en mijn liefde verdween.

En, zooals mijn hart toen haatte,

Zoo haatte er op aarde nooit een.

 

En sombere, bittere liedren

Zijn aan mijn lippen ontgleên.

Zoo somber en bitter als ik zong,

Zoo zong er op aarde nooit een.

 

Verveeld heeft mij eindlijk dat haten,

Dat eeuwig gezang en geween.

Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,

Zoo zweeg er op aarde nooit een.


The rest is silence.