Heb ik je werkelijk Gerard genoemd?

door Alma Mathijsen

Ik voel me stout als ik de correspondentie van Peter van Straaten en Karel van het Reve lees. Brieven zijn privé, niet bedoeld voor de ogen van derden. Maar toch waan ik me in de wereld van deze twee heren. De meeste brieven komen uit het jaar 1987. In die tijd schreef Van het Reve columns voor Het Parool onder de naam Achteraf, waarbij Van Straaten tekeningen maakte. In veel van de brieven vraagt Van Straaten goedkeuring voor een tekening, maar antwoord lijkt uit te blijven. Het Literatuurmuseum is in het bezit van elf brieven in totaal, waarvan er maar liefst tien van Peter van Straaten komen en slechts één brief van Karel van het Reve. Of diens brieven kwijt zijn geraakt, of dat Van het Reve wellicht nooit geantwoord heeft, is onbekend. Eén ding is zeker: Van Straaten is onzeker over zijn talent.

Peter van Straaten in 1985. Foto: Annelies Flinterman


Van het Reve laat hem nog meer wankelen, door hem de les te lezen in een brief waarin een recensie wordt aangekondigd: ‘Ik heb je in die recensie met Rembrandt vergeleken. Je kunt dus tevreden zijn. Maar nu iets anders. Je schrijft over “hopeloze pogingen om met verkleumde vingers een vlotte paalsteek te vervaardigen van een stuk touw”. Dat is niet goed, Peter. Je kunt van een stuk touw eventueel een mandje vervaardigen, of desnoods een strop om je aan te verhangen, maar geen paalsteek.’
 

In een lange brief geeft Van Straaten zich direct gewonnen. Hij had een steek laten vallen. En daar laat hij het vervolgens niet bij, hij somt alle fouten op die hij bij herlezing is tegengekomen. Frappant, een collega wijst hem op een fout, wat voor hem reden is er nog meer op te sommen. Hij eindigt zijn brief met de vraag of Van het Reve zijn boek nog eens zou willen recenseren als er een tweede druk zou komen van Leuk is anders

Dan volgen uitsluitend brieven van Van Straaten. Het leest als een eenzame klaagzang zonder respons. Iedereen die iets maakt is kwetsbaar en verlangt soms naar bevestiging. Omdat de antwoorden van Van het Reve ontbreken of nooit geschreven zijn, klinken de zinnen extra verdrietig. ‘Ik heb ook maar twee handen en een zeer beperkt talent,’ schrijft Van Straaten. Geen reactie.

Even troosteloos klinken de woorden over de tekeningen die hij opstuurt. Meestal schrijft Van het Reve zijn stukken eerst, en tekent Van Straaten er dan iets bij. Maar soms gaat het andersom: ‘… als je besluit er niks bij te schrijven gooi die tekening gewoon in de prullenmand…’ 

Karel van het Reve in 1989. Foto: Jan Stegeman

 

Uit de negende brief van Van Straaten wordt duidelijk dat Van het Reve in elk geval op de achtste brief heeft gereageerd, maar ook die is niet bewaard. Van het Reve was ontevreden over een tekening, wat hem precies niet zint wordt gauw duidelijk. Van Straaten schrijft: ‘Die rubriek van jou heet dan wel Achteraf maar ik stuur je die kopieën van de illustraties met de bedoeling dat je VOORAF je klachten bij me indient als je niet tevreden bent over je kapsel bijvoorbeeld, dan kan ik dat nog bijpunten of met de onduleertang wat meer volume geven.’ Het handschrift van Peter is slordiger dan voorheen, hij is duidelijk gepikeerd. De brief van Karel die daarop zou moeten volgen is er niet. Peter stuurt een laatste brief. Het handschrift nog onzorgvuldiger dan in de vorige brief: ‘Heb ik je werkelijk Gerard genoemd?’