Het perfecte NS-Briefje

door Christiaan Weijts

Onlangs overwoog ik mijn eerste klaagtweet te sturen naar de NS. Net op tijd was ik op het perron aangekomen, maar daar waren de vertrekborden leeg. De lichten van het treinstel waren gedoofd, hoewel de deuren wel opengingen. Aarzelend stapte iemand in. Toen kreeg een conducteur, die al net zo vertwijfeld had staan toekijken, een seintje van hogerhand: we moesten doorlopen, naar het achterste treinstel.
           

‘U bedoelt het vóórste?’ probeerde ik, want deze hele geschiedenis vond plaats op Den Haag CS, een kopstation, dus de wagons konden maar één kant uit, de voorkant.
               

De man staarde me drie lange tellen aan, met een vernietigende uitdrukkingsloosheid waarin één boodschap was samengeperst: ‘Ik ga met jou geen semantische discussies staan voeren, idioot. Als jij die trein nog wilt halen dan loop je nu het perron af.’
               

Gedwee liet ik me het andere treinstel in jagen, waar de lichten inderdaad brandden en de ventilators relatief behaaglijk suisden. Ik installeerde me: opende mijn koffiebekertje, activeerde een Beethovenkwartet in mijn oordopjes, bijpassende melancholieke blik op het perron.
               

Daar was opnieuw verwarring. Een groep had zich rond een andere conducteur verzameld, die terug de stationshal in gebaarde. Toen ik Beethoven liet pauzeren sprak er ook iemand door de speakers, maar die stonden zo zacht dat ik het niet verstond. Om mij heen stapten reizigers weer uit, en liepen terug. Blijkbaar moesten we toch achterin gaan zitten.
               

Enfin.
               

Iedereen kent zulke gebeurtenissen en tegenwoordig zie ik veel bekenden erover klagen op twitter tegen @NS_Online, waar een batterij callcenterstudenten achter zit die de irritatie verbaal proberen te smoren.
               

Mijn irritatie kon ook wel gesmoord worden, maar na vier pogingen om die onder woorden te brengen, in minder dan 140 tekens, gaf ik het op.
               

Ik moest denken aan E.L. Doctorow. De schrijver van Ragtime (1975) en City of God (2000) moest eens een absentiebriefje voor zijn dochter schrijven. Uiteindelijk, zo verklaart hij in een interview voor The Paris Review, lag er een stapel verfrommelde briefjes naast hem op de grond. ‘And my wife was saying, “I can’t believe this. I can’t believe this.” She took the pad and pencil and dashed something off. I had been trying to write the perfect absence note. It was a very illuminating experience. Writing is immensely difficult. The short forms especially.’
               

Voor een schrijver is schrijven altijd moeilijker dan voor andere stervelingen. Ik had geprobeerd De Perfecte NS-Klaagtweet te schrijven. 

Discreet

 

Een paar dagen later vond ik, bij toeval, Het Perfecte NS-Briefje. Op amper driehonderd meter van mijn station. Het is geschreven in 1951 en de auteur is Ferdinand Bordewijk.

 

Mijn Heren,

Hedenochtend verloor ik in de trein die 8.50 uur van Den Haag H.S. naar Rotterdam D.P. vertrekt en die defect van het station Den Haag werd weggereden in het achterste compartiment van de achterste wagon 2e klasse roken mijn wandelstok, zijnde een gele bamboe, aan de bovenkant tot een haak omgebogen.

Beleefd verzoek ik U deze aan mijn bovenstaand adres te willen doen terugbezorgen, waarvoor bij voorbaat dank.
                Hoogachtend,
                Uw dw,

                (F. Bordewijk)

 

Bij zo’n briefje realiseer je je hoe snel de Nederlandse Spoorwegen zijn veranderd. Een jaar of vijftien geleden rookte ik zelf nog in treinen. Dat is nu volstrekt ondenkbaar. Bordewijks briefje roept beelden op van kniptangen en heren met hoeden, van gedienstig treinpersoneel met witte handschoenen, van pijp- en sigarenrokers, van louter mannen ook, zie de vanzelfsprekendheid waarmee advocaat Bordewijk zich tot de ‘Heren’ van de afdeling Gevonden Voorwerpen richt.                

 

Ach, die kalme wereld van een paar vierkante meter, waar NS-personeel je verloren wandelstok aan huis komt terugbezorgen, en beleefd de hoed afneemt.
               

Maar wat vooral nostalgisch stemt is de haast discrete manier waarop de spoorreiziger hier zijn ergernis uit. Geen gescheld, geen verongelijkt getier, niet: heb ik hier verdomme een kaartje voor gekocht? Nee, Bordewijk spreekt van een trein die 8.50 ‘vertrekt’. Als je goed kijkt, zie je dat hij eerst typte: ‘vertrok’. De o is een e geworden, de t er later bij getypt. Lees: de trein die gewoonlijk om 8.50 vertrekt, maar hedenochtend dus mooi niet, stelletje lapzwanzen! Nee, want hedenochtend werd hij ‘defect van het station Den Haag’ weggereden.  
               

O, en je zíet hem daar gewoon zitten, mokkend in die rokerscoupé, geërgerd trekkend aan zijn pijp en friemelend aan de omgebogen haak van zijn gele bamboe.
               

Dat hij een doorslag van het briefje bewaarde, tekent de advocaat in Bordewijk: juridisch bewijs.
               

Hoe het is afgelopen weet ik niet. Er is een foto waarop hij leunt op, naar het schijnt, de bewuste stok. 

 

Mijne Heren

 

Twintig jaar later zijn het, de seksuele revolutie van de jaren zestig ten spijt, nog altijd ‘Mijne Heren’, die NS-medewerkers. In elk geval in de ogen van W.F. Hermans, die op 15 september 1970 een briefje tikt aan de commerciële afdeling. Hij had, op de terugweg van Amsterdam naar Haren, zijn kaartje niet kunnen vinden, en daarom een ‘passe partout’ moeten aanschaffen voor bijna twintig gulden, die hij teruggestort zou krijgen als hij zijn kaartje alsnog vond. Welnu, dat was het geval, dus vandaar dit verzoekbriefje van de eersteklas reizende ‘Dr. W.F. Hermans’ dat, zeker voor Hermans’ doen, uitzonderlijk vriendelijk is geformuleerd.
               

De datum, Prinsjesdag 1970, is opmerkelijk. Eén dag later, 16 september 1970, wordt door Hermanskenners als cruciale datum gezien: die dag maakte een uitspraak van de arbitragecommissie een einde aan een langlopend juridisch conflict tussen Hermans en uitgever Van Oorschot. De uitgever moest een groot bedrag aan te laag berekende honoraria aan Hermans betalen. Die paar tientjes in de trein vielen daarbij in het niets. Was hem de naderende uitspraak alvast ingefluisterd en was hij daarom misschien zo mild gestemd? 

 

Boosaardig

 

We maken weer een sprong, nu een van vijfentwintig jaar, naar een volgende NS-brief: die van schrijver Gerhard Durlacher, die in 1995, een jaar voor zijn dood, allerminst mild is. Verbijsterd stelt hij vast dat de radiatoren in het wachthokje van zijn station, Heemstede-Aerdenhout, zijn verwijderd. ‘Bij navraag bij de loketbeambte en de conducteur bleek mij echter tot ontsteltenis en verontwaardiging dat de maatregel, te weten de verwijdering van de radiatoren, genomen is om te voorkomen dat onbehuisden de wachtkamers als schuilplaats en slaapplaats zouden kunnen gebruiken.’
                 

Vertragingen, vervuiling, gebrek aan service, ‘en nog veel andere ongemakken’ zijn nog tot daar aan toe, maar dit is ‘boosaardig’ en ‘onmenselijk’. Aan het eind dreigt hij de brief naar pers en politieke instanties te sturen als er geen verbetering komt, en dit deed hij ook. NRC Handelsblad plaatste de brief, en Trouw interviewde hem begin 1996 over de kwestie, die kennelijk tot Kamervragen heeft geleid, overigens zonder succes, zo blijkt uit de antwoorden van de minister.

 

Tsja, die klaagtweet houd ik toch maar voor me. Mijn treinergernissen vallen allemaal in de categorie ‘andere ongemakken’. Ik zal ofwel onderkoeld ironisch à la Bordewijk moeten schrijven – en dat kan niet in 140 tekens – of ik zal mijn kruit sparen totdat ik me over iets werkelijk ernstigs kan opwinden. Kamervragen na een tweet aan de NS: voor minder heeft het geen zin.