Literaire roem zonder tv

door Christiaan Weijts

Veel literatoren doen er wat schamper over, maar diep in hun hart willen ze het allemaal: een bestseller schrijven. Of zoals het bij Ik Jan Cremer luidde (nog voor er één exemplaar verkocht was): ‘een onverbiddelijke bestseller’.

Wat zijn de ingrediënten voor zo’n kasknaller en de bijbehorende roem? Geerten Meijsing heeft in de Albert Verweylezing aan de Universiteit Leiden uiteengezet dat literaire roem altijd op drie pijlers rust: blinde ambitie, een klein beetje talent en een dosis sociale behendigheid. Ontbreekt er een, dan stort de brug naar de roem even onverbiddelijk in.  

Ik hoorde die lezing in de tijd dat ik mijn eigen debuutroman aan het schrijven was, en ik was dus extra gespitst. Ik heb nog geen tegenvoorbeeld kunnen bedenken bij die heldere formule. Alle bestsellers die ik in de tien jaar erna voorbij zag komen voldeden aan die criteria, van Joe Speedboot tot Bonita Avenue: een basaal niveau van vakmanschap, afgeleverd door tomeloos ambitieuze schrijvers met een grote sociale souplesse, dat wil zeggen een goede babbel en een groot netwerk.

 

Een schelmenroman

 

Vooral Joe Speedboot is een interessant geval. Net als Ik Jan Cremer is het een schelmenroman, maar anders dan bij Jan Cremer is het echte fictie, en waren vooral de pijlers ‘ambitie’ en ‘talent’ aanwezig. Het was Tommy Wieringa’s vierde roman, en aanvankelijk leek hij helemaal geen succes te worden. Boekhandelaren hadden er maar een handjevol van ingekocht. Het verhaal gaat dat Wieringa vervolgens heel zijn kennissenkring mobiliseerde: iedereen moest bij zijn plaatselijke boekhandel naar zijn boek vragen, zodat die er tien exemplaren van bestelde. En toen is het gaan lopen. Wieringa had de nog ontbrekende pijler ‘sociale behendigheid’ ingeschakeld.

Is dat het verhaal? Is dat de formule? Niet helemaal. Ja, bij alle literaire successen zijn talent, ambitie en sociale behendigheid terug te vinden, maar dat wil nog niet zeggen dat het bij elkaar gieten van die drie elementen ook gegarandeerd die onverbiddelijke explosie oplevert.

Er blijft een ongewisse, raadselachtige, onbeheersbare kracht, die zo ongrijpbaar is dat hij op magie lijkt, en alleen bij benadering is te omschrijven: het toeval, de tijdgeest, de X-factor, het onbestemde, het ‘je ne sais quoi’ noemen.

 

Het beslissende omslagpunt

 

Van Peter Buwalda tot Tommy Wieringa, van Kluun tot Herman Koch, maar bijvoorbeeld ook in het geval van Fifty Shades of Grey: het succes komt doordat het iets aanboort wat collectief, onderhuids al broeit –zoals het verlangen van vrouwen naar sm en andere ruigere vormen van seks – en het boek verschijnt exact op het juiste moment om op te stijgen met de golf. Het gaat om wat in de mechanica momentum heet: het beslissende omslagpunt.

 

Voor de Nederlandse oer-bestseller Ik Jan Cremer geldt dat heel sterk. Het boek verscheen in 1964. Zou het tien jaar later zijn verschenen – dus na de summer of love (1967), na de studentenopstanden (1968), na Turks Fruit (1969) – dan was het shockeffect beduidend minder geweest. En zou hij er in de jaren vijftig mee naar een uitgever zijn gestapt dan had die het waarschijnlijk niet aangedurfd. Nu pakte het boek precies de juiste onderstroom, het gleed de zee op, op het moment vlak vóór de enorme vloedgolf.

 

Had de 23-jarige Jan Cremer literair talent? Een klein beetje. In het typoscript verraden de dicht getikte vellen tekst zonder witregels of alinea-indeling een manische, ononderbroken vertelstem. Je ziet dat Cremer eigenlijk de beperkingen van het papierformaat niet wilde accepteren, er de uiterste grenzen van opzoekt en eroverheen buitelt.

 

Heel anders dan Harry Mulisch die een decennium eerder op dezelfde leeftijd debuteerde, maar die eindeloos schaafde aan zijn tekst, meerdere versies maakte, stukken verschoof, enzovoorts. In ambitie en zelfvertrouwen deden Mulisch en Cremer niet voor elkaar onder, maar hun wegen scheiden zich als het gaat om die andere roempijlers. Bij Mulisch was het talent en het vermogen tot componeren het grootste. Bij Cremer – die ook nog eens die onzichtbare tijdsgolf meehad – was vooral die andere pijler, de sociale behendigheid reusachtig.

 

Het geheim: Een succescampagne

 

Jan Cremer organiseerde zijn eigen reclamecampagne en de energie die hij erin stak lijkt groter dan die hij in het schrijven van zijn boek had gestoken. De marketing was op zichzelf een kunstwerk, zie je als je door de mappen met promotiemateriaal bladert.

 

In koortsachtig beschreven kladjes schetst hij de contouren van de succescampagne, onder de titel ‘Het geheim’: ‘De motor moet een symbool worden, het handelsmerk van I.J.C.’ Of neem die lange lijst pr-stunts die Cremer in een brief aan uitgever Geert Lubberhuizen tikt met punten als een ‘nieuwjaarskaart’, ‘bioscoopprojectie’, ‘grammofoonplaat’, ‘reclamecampagne ter zee en in de lucht’, en niet te vergeten ‘heldendaden en schandalen’. Bumperstickers naar Amerikaans voorbeeld, postzegels, strooibiljetten, en natuurlijk overal het beeldmerk van de iconische motor. ‘Jan Cremer Incorporated’ organiseerde het allemaal zelf.

 

Heldendaden en schandalen

 

Wat ook opvalt aan dit megalomane strijdplan is de afwezigheid van de televisie. Het publicitaire effect daarvan zou pas in de jaren zeventig door Gerard Reve ontdekt gaan worden en in de decennia daarna een climax bereiken, het ‘Van Dis-effect’. Tegenwoordig azen alle pr-afdelingen op talkshowplaatsjes en een boek hoeft maar half genoemd te worden of men plakt ijverig rode stickertjes: ‘getipt bij dwdd!!!’

 

Cremer verscheen pas in 1968 op de landelijke televisie, toen zijn reputatie als enfant terrible al definitief gevestigd was. In echtscheidingszaken kon het lezen van Ik Jan Cremer tegen je gebruikt worden. Bij een inval op de kluisjes van Amsterdam Centraal vond de politie eens honderden exemplaren van het boek: allemaal van mannen die het voor hun vrouw verborgen wilden houden.

Alhoewel. Die verhalen kwamen uiteindelijk van een en dezelfde bron: Jan Cremer zelf, die trouw was gebleven aan punt 14 uit zijn plan de campagne: ‘Heldendaden en schandalen’.