Rustende raadsels

door Yannick Dangre

We kennen Rudi van Dantzig (1933-2012) als de flamboyante bezieler van Het Nationale Ballet, dat van 1971 tot 1991 zo’n beetje zijn eenmansbedrijf was. De geboren Amsterdammer deed echter nog meer en was een ware artistieke duizendpoot. Begin jaren tachtig maakte hij zijn literaire debuut met Olga de Haas, een herinnering, en met zijn autobiografische roman Voor een verloren soldaat (1986) werd hij definitief als schrijver erkend.


Het is dan ook niet verwonderlijk dat het Literatuurmuseum archiefstukken van hem bezit. Ik dook erin en vond tot mijn vreugde notities over een onvoltooide roman met als thema de ontmoeting tussen Arthur Rimbaud en Vincent van Gogh. Als notoir liefhebber van het Franse fin de siècle vroeg ik me af: wat voor roman had Van Dantzig voor ogen? Hebben Rimbaud en Van Gogh elkaar werkelijk ontmoet? En waarom wilde de Nederlandse choreograaf daar per se een boek over schrijven?

Rimbaud en Van Gogh

 

Laten we beginnen bij het begin: de notities. Die bestaan uit zo’n tiental bladzijden, waarin Van Dantzig, in een groot, haast uitsluitend uit kapitalen bestaand handschrift, een resem ideeën over zijn roman heeft neergeschreven. Het valt meteen op dat er weinig structuur te ontwaren valt. Een afgewerkte scène, biografische feiten over beide protagonisten en citaten die als filosofische stutbalken voor de roman moeten dienen, ze staan allemaal kriskras door elkaar. Toch valt er een hoop af te leiden uit dat schijnbare zootje.
 

Het eerste wat duidelijk wordt (en wat na enige research ook bevestigd wordt) is dat er geen enkel bewijs bestaat dat Rimbaud (1854-1891) en Van Gogh (1853-1890) elkaar ontmoet hebben, maar dat het in theorie zeker mogelijk is. Van Gogh verblijft immers van juni 1873 tot 1875 in Londen, terwijl de Franse dichter er woont van begin 1874 tot mei 1875. Meer dan een jaar lang hebben de prille genieën dus de kans om elkaar tegen het lijf te lopen. Of dat daadwerkelijk gebeurd is zullen we nooit weten (vooral bij Rimbaud, die al zijn papieren achteloos weggooide, zijn de biografische details zeer schaars). Maar het kan dus wel degelijk, wat een mooi uitgangspunt voor een boek vormt.

 

Kunstenaarsroman

 

Van Dantzigs insteek wordt snel duidelijk: hij wil er een kunstenaarsroman van maken, mét een homoseksuele component.
 

De auteur noteert expliciet dat hij ‘discussies over schilderkunst, schrijfkunst, muziek’ in zijn boek zal stoppen, en maakt al enkele aanzetten. Zo laat hij Van Gogh tegen Rimbaud zeggen: ‘Ik hou van onbeholpen, treurige mensen in hun lelijkheid. Nee, jij niet. Jij bent... Je bent conservatief in je kijk op de schilderkunst’, waarop de Franse dichter repliceert: ‘Kunst? Dat is een belasting. Kunst komt vrijelijk, zonder pijn of moeite.’ Kortom, het lijkt een typische kunstenaarsroman met artistiek-filosofische discussies te worden.


Van Dantzig geeft de historische werkelijkheid echter een twist: hij laat Van Gogh en Rimbaud een liefdesaffaire beleven. Dat laatste is een zuiver hersenspinsel van Van Dantzig, want er zijn geen indicaties dat Van Gogh, in tegenstelling tot de notoire homoseksueel Rimbaud, zijn verlangens ooit op mannen richtte. Integendeel, Van Gogh was een gretig prostitueebezoeker.

 

Beau en Gogue

 

Van Dantzig fantaseert echter met plezier over de mogelijkheid en laat daarbij geen twijfel bestaan over de machtsverhouding tussen beide protagonisten, die hij herdoopt tot ‘Beau’ en ‘Gogue’. De eerste wordt voorgesteld als het ongebreidelde genie, de tweede als het burgermannetje. Zo laat Van Dantzig de Franse dichter zeggen: ‘Oud worden? Nooit! Het verval, de stank, het buikje, de geest die zwerft,’ en ‘kunst moet gek maken, sprakeloos’. De schilder wordt dan weer getypeerd als ‘geremd’ en door de dichter uitgescholden voor ‘amateur, een echte schilder word je nooit’.
 

In die optiek is het logisch dat de relatie stormachtig verloop. Rimbaud blijft Van Gogh provoceren, bekijkt diens schetsen ‘gemelijk’ en zegt dat Vincent hem ‘moet dienen [want] ik ben God’. Helemaal zwart-wit is de situatie echter niet, want er heerst ook een zekere camaraderie tussen beiden. Het citaat van Whitman: ‘We, two boys together clinging.’ komt tweemaal voor in de notities. Het lijkt erop dat Van Dantzig een spanningsveld wil creëren tussen de onevenwichtige liefdesverhouding en de onderhuidse artistieke solidariteit.

Machtsverhoudingen

 

Het meest revelerende in de notities is de enige uitgeschreven scène: de ontmoeting tussen Beau en Gogue. In dit fragment vinden we Van Gogh terug in een morsige Londense kamer, waar hij zich omdraait ‘naar het bed waar de vreemde jongen ligt, de jongen die niet meer kreunt, bewegingloos lijkt. De smalle kwetsbare jongen, zo ongrijpbaar – onbegrijpelijk ongrijpbaar. Rustend raadsel.’
 

Daarna typeert Van Gogh zijn bedgenoot als:
 

Een kind bijna. Een kind dat kort hiervoor nog wanhopig tegen hem had geschreeuwd, hem verwijten maakte en onbenaderbaar werd.
 

We merken dus hoe de machtsverhouding duidelijk in het voordeel van Rimbaud kantelt. Als reactie daarop wil Van Gogh weggaan, maar de jongen smeekt hem om te blijven. Zijn gastheer laat zich opnieuw vermurwen:
 

Wat hij steeds had willen doen gebeurt, tegen en mét zijn wil. Hij – 'Gogue' zoals Beau hem noemt – kust het gezicht van de vriend, zoent de schouders, likt de ogen droog.
 

Meteen neemt Beau wraak, zet ‘zijn tanden in Gogues nek en bijt, bijt als een dier, vlijmscherp, bikkelhard.’ Daarna volgt een kortstondige scheldpartij en eindigt de scène abrupt.

 

Drie rustende raadsels

 

Hoe Van Dantzig dit staaltje psychologische oorlogvoering had laten eindigen, zullen we nooit weten. Wel is het duidelijk dat hij vanuit een historische mogelijkheid én vanuit zijn eigen fascinatie voor kunst en homoseksualiteit is begonnen te fantaseren.
 

Dat hij het project niet heeft voltooid, moet in het licht van bepaalde uitspraken in interviews niet eens verbazen. Zo zei hij ooit:
 

Met mijn boek Voor een verloren soldaat werd ik in één klap tot schrijver gebombardeerd. Niet door mezelf overigens. Ik heb altijd gezegd: pas als ik niet meer put uit mijn herinneringen maar uit mijn fantasie, durf ik een beetje te zeggen dat ik schrijver ben.

(De Groene Amsterdammer, 1 april 1998)


en
 

Schrijven is helemaal met jezelf geconfronteerd worden en met stilte en met eenzaamheid. Ik denk dat ik nooit écht een schrijver word.

(Trouw, 31 januari 1996)
 

Het zijn misschien rare statements voor iemand die toch een tiental publicaties op zijn naam heeft. Hoe dan ook zijn de papieren versies van Van Gogh en Rimbaud jammer genoeg nooit ontslapen en rusten ze voorgoed op de bodem van Van Dantzigs fantasie.
 

Drie rustende raadsels bijeen.