Charlotte Mutsaers

Vaatje

Toen ik op achtjarige leeftijd voor het eerst met Kuifje kennismaakte, vond ik het in elk geval een verademing. Ik had genoeg van alles in het klein. Ik had genoeg van kleinheid die moest worden opgezweept met behulp van heksen, reuzen, oude tovenaars, een voorspelbare moraal en slappe illustraties. En ik had helemaal genoeg van schrijvers die constant op hun hurken zaten. Ik werd voor vol genomen door mijn eigen vader, die kunsthistoricus was, en door mijn eigen hond. Wat een verrukking eindelijk ook eens voor vol te worden genomen door een zeer groot kunstenaar.

Archief

Nu komt er ruzie. Hij steekt op als een storm en zij zit erbij in een fluwelen kamerjas. Het gaat over mensen en dieren en wie er het zieligste zijn. Zijn zielige mensen het zieligst, omdat ze mensen zijn, of zijn zielige dieren juist het zieligst, omdat ze dieren zijn? Zijn moeders zieliger of zijn vaders zieliger?

De Markiezin

Charlotte en haar vader op de Dam,
begin jaren vijftig

Het is zaterdagmiddag
Ik ben twaalf en mijn vader is zesenveertig. Dik gearmd lopen we door de stad, hij links ik rechts. Als man en vrouw. Ik vlij mijn hoofd tegen zijn mouw en zeg dat ik het liefst een groene wil. Een groene jurk met een groene rok, een groen lijfje, een groene ceintuur en groene, groene mouwen. Maar je kan zo veel willen. Hij zegt: ‘Je bent geen kikkertje’. Behalve voor kerstbomen en hele jonge blaadjes vindt hij groen een onmogelijke kleur. ‘Bovendien,’ zegt hij, ‘als je met zo’n jurk in het bos verdwaalt, vindt niemand je meer terug.’
Maar een vader moet wel consequent zijn, anders verdwijnt zijn lieve dochter toch. Want wat krijgen we nou? Ineens geeft hij een harde ruk aan mijn arm en wijst recht voor zich uit. Daar schuifelt een groene kokerrok. Bij elke stap opent zich een diepe split. Daaronder twee roze kuiten op stilettohakken. Daarboven een wit truitje van angorawol. En daar weer boven een platinablonde paardenstaart die meedeint met het heupgewieg. Mijn God, wat komen die groene heupen traag vooruit, geen gezicht. Mijn vader denkt daar anders over: ‘Een plaatje!’ ‘Hoezo een plaatje?’ roep ik verbijsterd uit. ‘Die rok is immers groen.’’Ja maar,’ zegt hij, ‘de rondingen zitten wel precies op de juiste plaats.’ Onder mijn jas tast ik naar mijn eigen heupen maar ik word voortgesleurd.

Archief

Mijn moeder had een aanzienlijke haat tegen me ontwikkeld. Steeds als ik iets verkeerd deed zei ze: ‘Nu komt je ware Zelf naar buiten.’Als ik iets liefs of grappigs deed, zei ze dat nooit, zodat mijn inhoud voornamelijk uit smeerboel leek te bestaan. Gedreven door de wet van de compensatie hield ik meer dan de gemiddelde ander van mijn vader.

Kersebloed

Vader Barend en zijn broer Felix aan zee

Van sommige woorden besef je dat ze gevaarlijk zijn zonder dat je hun precieze betekenis weet.
Voor zij zich weer in hun boeken verdiepen, stel ik mijn vraag: ‘Weten jullie misschien wat seks-appeal is?’
Vaatje zegt; ‘Voor je de betekenis van een woord vraagt, mag je eerst wel eens weten hoe je het uitspreekt. Het is seks-appíel. Het is erg moeilijk om uit te leggen wat dat betekent. Vooral aan vrouwen. Maar een paar voorbeelden kan ik wel geven, zodat je het vanzelf gaat snappen. Fabiola van België heeft voor geen cent seks-appeal. Onze eigen koningin ook niet.’
‘Nou, nou,’ zegt mijn moeder, ‘Fabiola van België kun je toch niet bepaald lelijk noemen.’
‘Daar heeft het niets mee te maken,’ zegt Vaatje. Audrey Hepburn die wat je noemt goed getimmerd is, daar gaat voor een man niks van uit. Brigitte Bardot heeft seks-appeal en Sofia Loren helemaal.’

Archief

Mies en Barend Mutsaers, de ouders van Charlotte

Als Vaatje terugkomt, fluit hij nog steeds Frou Frou. De hele tas zit boordevol cadeautjes voor hemzelf. Wij kunnen die nu van hem terugkopen met geld uit de spaarvarkens en vervolgens leuk inpakken voor morgen. Doodgemakkelijk. En de prijzen staan er allemaal noch keurig op. We zouden immers toch niet hebben geweten waar we al deze prachtige spullen vandaan hadden moeten halen (..) In de tas zitten: een oestermes, een cassette met alle memoires van Casanova, een fles Fougère royal van Houbigant, een blauw blik met echte Russische kaviaar, een doosje Players, een donker rode boekenlegger van marokijns leer, een Kolbaz-worstje, een heel groot vlakgom voor op het bureau met het woord FOUT erop en een nageltang uit Solingen (‘omdat ik er toch altijd voor opdraai om al jullie tenen te knippen’). Vaatje stalt alles op tafel uit en wij moeten dan maar zeggen wat we hem het liefste willen geven.

Archief

Een circus voor de geest

Charlotte Mutsaers zou graag willen schrijven als een zwaluw: rondcirkelend, rakelings, steels. Ze zou willen kijken naar de wereld met een hondenblik. En ze zou graag kunnen rennen als een haas. Want waar een mens saai recht vooruit koerst, slaat een haas ‘haken’.

 

Welkom in de Charlottesque wereld waarin u haken kunt slaan in alle fascinaties van Charlotte Mutsaers.

 

Charlotte Mutsaers (2 november 1942) was de tweede dochter van Mies Lely (1916-1977) en Barend Mutsaers (1906-1980). Van vaderszijde stamt ze uit een eeuwenoud patriciërsgeslacht. Haar moeder was een telg uit de familie Lely. Haar overgrootvader bedacht het plan voor de Zuiderzeewerken.

Charlotte groeide op aan de Nieuwegracht in Utrecht. De vakanties bracht ze door in Wijk aan Zee of bij haar grootouders in Kapellen bij Antwerpen. Na de lagere school doorliep ze het Stedelijk Gymnasium dat in het eerste deel van Rachels rokje wordt beschreven. Ze was redacteur van de schoolkrant Apophoreta, net als haar eerste echtgenoot Ton Anbeek van der Meijden. In Amsterdam studeerde ze Nederlands en daarna aan de Rietveld Academie schilderen en vrije grafiek. Aan diezelfde opleiding was ze jarenlang als docente verbonden. In 1973 trouwde ze met de Neerlandicus Jan Fontijn. Met hem woont ze tegenwoordig afwisselend in Amsterdam en Oostende. De zomers brengen ze in Frankrijk door.

In de jaren zeventig en tachtig maakte ze voornamelijk beeldend werk: schilderijen, grafiek, boekomslagen, postzegels en covers van tijdschriften. Beroemd werden vooral haar reeksen schilderijen ‘Piëta’ en ‘La belle et la bête’. Geleidelijk aan verschoof het accent van beeldende kunst naar literatuur. In 1988 verscheen de roman De markiezin en in 1990 de bundel Kersebloed. Ze gaf in dat boek, maar ook in Paardejam en Zeepijn aan het begrip ‘essay’ eem heel persoonlijke en dartele inhoud. Een groot publiek bereikte ze met haar romans Rachels rokje (1994) en Koetsier Herfst (2008).

In 2010 kreeg ze de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza: ‘Het werk van Charlotte Mutsaers is een feest voor lezers die hun geest willen laten waaien.’ Momenteel werkt ze aan een nieuw boek, ‘een tussenvorm van roman en beschouwing’ die zal verschijnen bij de nieuwe uitgeverij Das Mag.

Het werk van Charlotte Mutsaers

1 Het circus van de geest

2 Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw

3 Paardejam

4 De markiezin

5 Rachels rokje

6 Zeepijn

7 Hazepeper

8 Hanegeschrei

9 Bont

10 Kersebloed

11 Rachels rokje

12 Dooier op drift

13 Koetsier herfst

14 Pedante pendules en andere wekkers

15 Sodom revisited