Joost Zwagerman
Portretten van een vriendschap

Literatuur, popmuziek en beeldende kunst waren de grote passies van Joost Zwagerman (1959-2015). In de literaire wereld had hij een langdurige vriendschap vol pieken en dalen met collega-romancier Jessica Durlacher, met Peter Buwalda sprak hij avondenlang en vol vuur over muziek die er echt toe doet en met museumdirecteur Benno Tempel deelde hij de gedrevenheid om beeldende kunst relevant en actueel te maken. Drie vrienden kijken terug op hun relatie met de vorig jaar overleden schrijver. Voor het Literatuurmuseum spraken zij met Koos de Wilt over de vriendschap die zij sinds 8 september 2015 moeten missen. 

Jessica Durlacher
OVER DE LITERATUUR VAN
JOOST ZWAGERMAN
Docent?

Er is een online lespakket bij dit verhaal

Meer informatie

EEN ZIELTOGEND PLANTJE

‘In 1985 startte ik samen met een paar studenten het literaire blad De Held. Het had een oplage van zo’n 750 lezers en ik deed de advertentieacquisitie erbij. We typten de stukken bij elkaar, knipten en plakten wat en brachten het naar de drukker. Het was heel erg leuk en enorm amateuristisch, we leerden al doende. Toch kende iedereen die iets met schrijven te maken had het blad, ondanks de geringe oplage. We deden dan ook erg ons best om relevant en arrogant te zijn. Ik weet nog dat we stukken van Tommy Wieringa hebben geweigerd.

 

Ik had Joost ontmoet tijdens een dichtersavond in de Balie en kwam hem weer tegen in De verloren tijd, een boekhandeltje in de Pijp waar druk over literatuur werd gesproken. Joost was al bekend en publiceerde regelmatig in Tirade. Ik probeerde hem voor De Held te winnen, maar dat hield hij aanvankelijk af. Uiteindelijk lukte het me toch. Inmiddels bestonden we bijna drie jaar en was het enthousiasme van de meerderheid van de redactie wat gaan tanen. Eigenlijk was het een zieltogend plantje geworden, redelijk obscuur ook, want we hielden erg vast aan het principe dat het ons om nieuw talent ging. Gearriveerde auteurs daar bleven we verre van – tot Joost erbij kwam. Van de oude redactie bleven alleen Peter Elberse en ik over, en Joost dus. Joost zette de trend voort die door oud-redactielid Arthur Lava was ingezet: hij bracht de dichters binnen, de Maximalen. Allemaal mannen met een enorm ego en veel gebrul. Mannen die het straatrumoer terug wilden brengen in de poëzie.’ 

In die tijd zat Joost midden in het schrijven van Gimmick! Hij leefde het feitelijk. Ja, we vonden elkaar leuk, maar ik hield hem een beetje op afstand. Ik voelde aan dat hij een tomeloze ambitie koesterde jegens ongeveer alles – en zag heel goed dat hij mij als niet meer dan een soort trofee beschouwde: meisje/vrouw, literair geïnteresseerd, niet onaantrekkelijk, etc. Ik wist gewoon dat het nooit wat kon worden en bovendien was ik al met iemand. Dat zinde Joost niet, en als Joost iemand wilde overtuigen van zijn intenties, dan ging hij door roeien en ruiten. Bellen, bellen en bellen. Brieven, brieven en nog eens brieven. Tomeloos, kortom. Enorm inspirerend, enorm levendig. Maar het was vooral een grote vriendschap. Hij vertelde me heel veel over Gimmick! We trokken veel met elkaar op, zagen elkaar in Café het Paleis, wat toen the place to be was met kunstenaars als Rob Scholte, Frank Starik, Sandra Derks. Op Sandra was hij verliefd, Gimmick! ging grotendeels over haar. Arthur Lava kwam daar en Koos Dalstra, het personage Groen. Dalstra sprak consequent in de krankzinnigste onnavolgbare oneliners. Het waren altijd interessante bijeenkomsten in het Paleis, veel testosteron, veel drugs (coke) en machismo. Enorme bewijsdrang. Joost viel zo op Sandra omdat ze als mooi meisje in deze scene overeind bleef, iets soevereins had, kunstenaar kon zijn. Geen van allen hadden ze veel geduld met uitleggen, redeneren, zoals Joost, het waren kunstenaars, direct en wild, en dat fascineerde Joost, die totaal niet zo was.

Joost wilde hier heel graag bij horen, one of the guys zijn, de kunst die ze maakten interesseerde hem, hun wereld fascineerde hem, en niet alleen omdat hij met dat boek bezig was. Het boek kwam eruit voort, maar toen hij eenmaal aan het schrijven was cultiveerde hij zijn fascinatie, want de irrationaliteit, de drukte en de macho aanstellerij pasten uiteindelijk niet bij hem. Walter Raam, zijn gevoelige alter ego in Gimmick!, ontliep hem als karakter niet veel, was zelfs misschien een stukje more streetwise dan Joost zelf. De kunstenaars waardeerden Joost, maar hij moest wel erg zijn best doen. En toen het boek eenmaal was verschenen, voelde een aantal zich toch lichtelijk verraden en in zijn hemd gezet, dat heeft wel een eind aan die periode gemaakt...’ 

‘IK VOND HET FASCINEREND HOE HIJ IN VALS LICHT DE WERKELIJKHEID OMBOUWDE TOT LITERATUUR.’

‘Ondertussen stuwde Joost De Held op in de vaart der volkeren door allerlei bekendere auteurs om bijdragen te vragen. Het maakte het blad bekender en professioneler, ook in vormgeving en opmaak, maar ook minder eigen, voor mijn gevoel. We hebben het twee jaar volgehouden. In die periode begon ik aan mijn afstudeerscriptie Nederlandse letterkunde, over Gerrit Krol en het postmodernisme, en Joost aan Vals licht. Die roman heb ik echt van de eerste tot de laatste bladzijde meegekregen, doordat hij tijdens urenlange telefoongesprekken dagelijks aan me voorlas wat hij had geschreven. Vals licht is gebaseerd op gebeurtenissen uit de werkelijkheid, en ik vond het fascinerend hoe hij die ombouwde naar fictie, naar literatuur. Het boek gaat over een meisje, een hoertje dat hem de ultieme eer bewees: ze vond hem leuk. Hij was de uitverkorene. Hij kwam als klant, en werd haar geliefde. Dat meisje was behoorlijk gek, met allerlei issues, maar Joost was verliefd, op haar of op de fascinatie die ze bij hem opwekte, of misschien wel doordat hij zo gevleid was over zijn positie in haar leven. Hij wilde haar redden, natuurlijk, maar ook alles over haar en haar wereld opsnuiven om over te kunnen schrijven. Hij vond het een unieke kans, en hij schreef er inderdaad een uniek verhaal over. Hij betaalde haar vriendinnen om dingen te vertellen. Er schuilde een pragmatisme in, iets gewetenloos, waar we veel over discussieerden. Hij gebruikte haar op een bepaalde manier en het meisje had een moeilijk leven. Moreel gezien is dat ingewikkeld, en toch begrijp ik het. Om een verhaal werkelijk te doorgronden, moet je soms ver gaan. Dat doe ik ook. Net als bij Gimmick! begon het met fascinatie voor een bepaalde wereld waar hij deel van wilde uitmaken, om van die wereld vervolgens al researchend literatuur te maken. Als dat is gebeurd, tergt die wereld je niet langer, trekt die je niet langer aan, je gebruikt hem als het ware op. Joost zag het meisje na voltooiing niet meer, maar als ik me goed herinner heeft hij haar nog wel een exemplaar gebracht. Zelf heb ik dat meisje nooit gezien, overigens.’

RUZIE OVER HOPPER

‘Er is wel wat veranderd in de vriendschap vanaf het moment dat ik met Leon was. Dat was in 1991. Misschien omdat Joost rivaliteit voelde met Leon, als collega-schrijver. Niet dat we niet meer belden, dat deden we nog steeds, maar het bleef wel meer op de vlakte. Ook de verfilming van Vals licht door Theo van Gogh, de man die Leon al sinds jaar en dag in columns en artikelen probeerde af te breken en met de meest vreselijke antisemitische leuzen bestookte, zorgde voor afstand. Joost vond het nodig om Theo van Gogh te verdedigen, en hij en ik voerden daar enorme strijd over, in brieven en aan de telefoon. Ik vond dat ik hierin voor Leon moest staan. De ruzie die we vele jaren later maakten, en die tot een breuk leidde die van 2008 tot 2011 duurde, had met Leon te maken. Zonder zich dat te realiseren had Leon, net als voor zijn eerdere romans, een bewerkte versie van een schilderij van Hopper als cover gekozen. Het toeval wilde dat het om Night windows ging, waarmee De Bezige Bij Het recht op terugkeer wilde sieren, dezelfde afbeelding die Joost in 1991 voor Vals licht had gebruikt. Daar ging het om het originele schilderij van Edward Hopper, bij Leon om een soort remake daarvan. Joost was razend, buiten zinnen, ook al was Vals licht allang niet meer in de handel, was het zeventien jaar na dato. Hij bewoog hemel en aarde om te voorkomen dat Leon zijn omslag zou gebruiken. Hij belde de redacties van zowel de AP als De Bij, alle redacties van kranten en tijdschriften, iedereen in de literaire wereld om medestanders te vergaren en er een stokje voor te steken. Ik probeerde te bemiddelen, te argumenteren, werd daarna zelf woedend en ten slotte barstte het. Voor mijn gevoel was hij totaal de weg kwijt, ik begreep niet waarom hij zo heftig reageerde, en zulke verschrikkelijke dingen over Leon moest zeggen. In mij brak iets toen ik ergens zijn uitspraak las dat mijn vader zich in zijn graf zou omdraaien over iets wat Leon in de krant had gezegd over Israël – iets wat hij moedwillig verkeerd interpreteerde.

 

We zagen elkaar drie jaar lang niet. In 2011, ik was net terug uit Los Angeles, belde hij me opeens. Zijn scheiding was achter de rug, hij miste me en wilde me graag zien. Ik zei ja. Het was heel emotioneel. Tijdens onze ontmoeting zag ik hoe slecht hij eraan toe was. Ik schrok ervan. Ik besefte hoe lang ik hem kende, dat ik zijn oudste vriendin was, en hij mijn oudste vriend. Ik had hem enorm gemist, ook dat besefte ik. Ik had vreselijk met hem te doen, zo slecht ging het met hem. Vanaf dat moment spraken we elkaar weer regelmatig, vooral per telefoon, later in Haarlem waar hij ging wonen, maar de verhouding was compleet anders. Hij leed verschrikkelijk onder de veranderingen in zijn leven, was voortdurend in paniek. Die laatste drie jaren waren de gesprekken niet evenwichtig meer, hij was vaak van streek, zocht steun, bevestiging. Ik maakte me zorgen over hem, deed mijn best om redelijke dingen in te brengen. Het ging met vlagen heel goed met hem, dan was hij productief en hoopvol, hij was gelukkig met Maaike, zijn vriendin, maar ook leed hij op andere momenten opeens aan wat ik als irrationele angsten beschouwde, neuroses, en zijn gezondheid was niet zo goed. Dan was hij onredelijk, niet tot bedaren te brengen, schreef hij onnavolgbare e-mails. En later praatten we over het grote nieuwe boek waar hij over nadacht, over huisarts Nico Tromp, wiens lot enorm met dat van hem verweven was, en wiens zelfmoord hem heel erg had aangegrepen. Ik stimuleerde hem dat boek te schrijven, zorgde dat Robbert Ammerlaan met Joost ging praten. Er waren periodes dat we lange gesprekken voerden waarin soms de oude Joost doorklonk, geïnteresseerd, vrolijk, geestig. Dat was de Joost die las, vertelde, schreef, een goede vader voor zijn kinderen was. Maar steeds vaker werd hij overvallen door depressies en angsten, en belde hij me in nood en als hij steun nodig had. Dan moedigde ik hem aan om hulp te zoeken, belde hem veel, praatte met hem, stelde hem gerust. In de twee weken voor zijn dood leek hij zich te hebben hernomen na een hele zware inzinking. Hij deed alsof het beter ging. Ik geloofde in die tour de force, ik wilde hem geloven. Tot die vreselijke dag, 8 september.’

 

DE NIEUWE ROMAN

‘Joost vond mij altijd te sociaal… Hoe kan je iets gedaan krijgen als je zoveel mensen ziet? vroeg hij dan. En dat terwijl hij degene was die zichzelf voortdurend maar opdeelde. En allerlei klussen aanpakte. Ik vond dat hij weer een roman moest schrijven. Maar hij had het altijd al moeilijk met de druk van het verdienen, voor het gezin vooral. Het maakte hem panisch op sommige momenten. Een roman schrijven is bovendien niet geheid de weg naar welvaart. Het kán gebeuren, maar je mag er niet van uitgaan. Joost was bovendien steeds meer geïnteresseerd geraakt in het schrijven van essays. Hij kon het goed en het had meteen publiek doordat het in de krant kwam. Daarna waren ze nog te bundelen in boekvorm. Maar de ambities voor de langere termijn kwamen er ernstig door in het gedrang. We hadden het er vaak over. Over die verscheurdheid. Het kan niet anders, zei hij dan. Hij leed eronder.

De dag voordat hij vol flair een verhaal vertelde in het Teylers Museum, had ik hem depressief aan de lijn gehad. Hij had het moeilijk. Hij had een totale hybris, maar tegelijkertijd waardeerde hij zichzelf totaal niet. Het schrijven van essays bracht hem geluk, maar hij was ook een slaaf van zijn eigen productie. Op een gegeven moment had hij schoon genoeg van zijn stukken over beeldende kunst, zoals hij eerder ook klaar was met schrijven over literatuur. En die roman kwam er steeds maar niet. Het kan ook zijn dat hij gewoon geen thema had, geen verhaal dat hij moest vertellen. Om een roman te kunnen schrijven moet je je fantasie opkloppen. Je moet er moed voor maken. Je moet een idee hebben, een fascinatie voor iets wat je meemaakt, zoals voor hem dat meisje dat hij op de hoek van de straat tegenkwam voor Vals licht. Dat beeldige meisje dat eruitzag als een droomprinsesje en dat vieze werk deed. Dat trof hem enorm. Het was alsof hem daarvoor het geloof en de moed steeds meer ontbraken.’ 

 

‘JOOST HAD OP EEN GEGEVEN MOMENT 5.500 FACEBOOKVRIENDEN, DIE HIJ ALLEMAAL ONTVRIENDDE TOEN HIJ DEPRESSIEF WAS. TOEN HET WEER EEN BEETJE GING, MAAKTE HIJ DIE KAST WEER OPEN.’

 

‘Depressie is de achterkant van brille. Brille is een combinatie van het hebben van een tomeloze energie met een gevoel van urgentie om te vertellen wie je bent, waar je heen wil, wat je ziet. Het is de voortdurende behoefte om te worden gezien, en als je dan even versaagt is er de angst dat alles instort. Dat kent bijna elk beroemd mens. Ik heb Marco Borsato een keer gesproken toen hij net weer boven Jan was. “Ja, het gaat goed, maar hoe hou je het vast?” zei hij, met een soort waanzin in zijn ogen. Beroemd zijn is hard werken. Ik ben niet zo beroemd, maar ik heb toch vaak de behoefte om zichtbaar te zijn omdat het ergens een diep gevoel van onzekerheid opheft. Als schrijver moet dat ook, anders heb je geen lezers. Ik vind sociale media het engste wat er is, maar het is wel functioneel. Joost had op een gegeven moment 5.500 Facebookvrienden, die hij allemaal ontvriendde toen hij depressief was. Toen het weer een beetje ging, maakte hij die kast weer open. Ik kan dat niet, Joost wel. Het leek wel of hij voortdurend bevestiging zocht dat hij bestond.’ 

 

‘Ik heb wel eens gedacht dat Joosts romans altijd varianten zijn op iets anders. Zoals Gimmick! een variant is op Bright Lights, Big City. Hij was een enorme lezer. Iedere schrijver reflecteert op eerder werk, maar Joost was een krankzinnig goede lezer en leerling. Heel onzeker én rigoureus én vol hybris, een gekke combinatie. Dat is ook waar postmodernisme over gaat, reflecteren op wat er al is, en daarbij schijt hebben aan geldende normen over hoge en lage cultuur. Joost was heel geschoold, maar misschien twijfelde hij diep vanbinnen aan zijn kern, aan de urgentie van zijn schrijven. Hij zocht er altijd naar, maar durfde hem niet te vinden. Veel van zijn romans zijn vanuit wilskracht ontstaan. In zijn essays en in zijn poëzie daarentegen was hij volstrekt vrij: eigen en oorspronkelijk. Alsof daarin de druk niet zo groot was.’

3
foto's

DE EERSTE ZIN

‘De eerste zin van een roman is heel belangrijk. Er ligt een geweldige druk op. Soms is ie er pas aan het einde van het schrijfproces. En soms is het zo’n mooie streek waar een heel boek uit volgt. Of een alinea. Het is de sokkel van een roman. De opening van Vals licht is: ‘Alles moest geheim blijven.’

 

Joost was een docent, een dominee bijna. Hij komt uit een echte onderwijzersfamilie. Hij had de drang, voelde een diepe behoefte om mensen uit te leggen waarom iets belangrijk was, mooi was, waar was. Iedereen moest ook vinden wat hij vond, zien wat hij zag. En als anderen het niet met hem eens waren, ging hij tot het uiterste om hen ervan te overtuigen dat ze ongelijk hadden. Daardoor kwam hij regelmatig in conflict met mensen. Dat zit in alle schrijvers wel een beetje, vermoedelijk: anderen moeten mee in jouw wagen, jouw spoor. Waarom zou je anders schrijven? Bij hem dreigde de passie waarmee hij mensen voor zijn ideeën trachtte te winnen soms wat door te slaan, dan werd het te veel, maar vaker inspireerde hij mensen ook enorm, zeker als hij over de dingen sprak of schreef die hij mooi vond. 

 

Joost heeft mij altijd gesteund in wat ik schreef, hij was collegiaal loyaal. Ik heb mijn eerste roman pas kunnen schrijven na mijn vaders dood, mijn geschiedenis was in mijn ogen futiel in vergelijking met die van mijn vader. Heel lang blokkeerde me dat. Joost geloofde altijd dat ik het ooit toch zou doen. Ik weet nog wel dat we, heel lang geleden, bij café Gambrinus op de Ferdinand Bol wat simpels zaten te eten tijdens een vergadering van De Held. We hadden het over de roman die ik zou gaan schrijven. Onzeker zei ik dat het moest gaan over het leven dat theater is. “Nou, Jessica,” zei Joost, met die ingehouden giechellach die hij kon hebben, kauwend op zijn biefstuk met friet: “Dat klinkt heel veelbelovend.” Ik weet nog dat we daar toen heel erg om moesten lachen, en toch was het niet gemeen. Ik voelde me niet afgezeken, hij wist immers precies hoe moeilijk het was, romans schrijven. Mijn ideeën over een plot en inhoud had ik toen ook nog niet. Toen hij veel later mijn eerste roman las weet ik nog dat hij daarin zocht naar dat theater, dat wist hij kennelijk nog. Hij vond het leuk dat het boek er was. Hij had er respect voor. Doordat we nu allebei schrijvers waren, werden we gelijkwaardiger.’

Benno tempel
OVER DE BEELDENDE KUNST VAN
JOOST ZWAGERMAN

GIMMICK!

‘Ik was zeventien toen Gimmick! uitkwam. Voor mijn generatie was dat boek wat voor eerdere generaties de romans van Jan Wolkers of Jan Cremer waren. Een schelmenroman, een boek vol jeugdige overmoed en het wilde leven dat eraan gekoppeld was. Gimmick! was een boek over volwassen worden, een coming-of-age novel over de puurheid van de echte liefde afgezet tegen de grote boze buitenwereld. Als scholier uit Harderwijk vond ik het beschreven Amsterdamse kunstenaarsmilieu buitengewoon interessant, ook al liet Joost een behoorlijk nihilistische wereld zien. Het was mijn eerste kennismaking met Joost Zwagerman en feitelijk ook met de hedendaagse kunstwereld. Rob Scholte was de belangrijkste kunstenaar uit die scene. Dit schilderde hij later in zijn carrière. Het is een schilderij van een overbelichte foto. Het beeld doet denken aan televisie en een beeld van een bewakingscamera. Op de achterzijde staat de signatuur van Rob Scholte, gevolgd door het jaartal 2000 en de tekst: “A is de mooiste vrouw van de wereld. Voor de man in de regenton”. Dit is een persoonlijke observatie van Rob over een relatie, en van een man die van een vrouw hield.’

‘GIMMICK! WAS MIJN EERSTE KENNISMAKING MET DE AMSTERDAMSE KUNSTSCENE.’

‘Ik kende Joost wel van toen ik nog bij het Van Goghmuseum en de Kunsthal werkte en hem daar sprak over tentoonstellingen die hij als recensent bezocht. In het Gemeentemuseum in Den Haag sprak ik voor het eerst echt met hem. Hij bezocht een tentoonstelling van ons om daarover te schrijven in de Volkskrant of om er iets over te vertellen in een televisieprogramma. Voordat hij door moest naar zijn volgende afspraak, een lezing die hij zou geven in de stad, spraken we bij een salade en een biertje over het vak. Mij viel op dat hij niet alleen geïnteresseerd was in de kunst, maar ook in museale zaken. We hadden het uitgebreid over museumdirecteuren, over mijn voorgangers en de verhalen rond Wim van Krimpen en Hans Locher en ook over het grote mysterie waarom Fuchs bij alle musea waar hij heeft gewerkt op een rare manier is weggegaan. Het waren prettige, open gesprekken, waarbij hij niet zozeer sprak als interviewer, maar eerder als de geïnteresseerde essayist die alles komt opzuigen. Ik vertelde hem over de fameuze Louis Wijsenbeek die van 1951 tot 1977 directeur was. Hij was de Haagse Willem Sandberg en minstens even interessant en belangrijk. Joost kende hem niet, maar vond dat heel interessant.’

‘MONDRIAAN IS YOGA IN KUNST. BIJ MONDRIAAN VERGEET JE DE TIJD. MET GEMAK KUN JE EEN UUR VOOR EEN MONDRIAAN ZITTEN.’ 

KUNST ALS TROOST

‘De echtscheiding van Joost heeft er behoorlijk bij hem ingehakt. In diezelfde periode gingen mijn vriendin en ik ook uit elkaar. Wij vonden elkaar daarin en hebben er veel over gesproken. Een echtscheiding, zo weet ik uit ervaring, duurt twee à drie jaar voordat ze is afgerond. Kunst is wat je erdoorheen sleept. Even uit de grauwheid van het echte leven stappen en worden aangeraakt door iets metafysisch en contemplatiefs. De troost, de euforie, de verbazing over hoe iemand bijzonder werk kan maken, houden je dan overeind. Voor mij is het bijvoorbeeld onbegrijpelijk hoe Mondriaan zijn schilderijen heeft kunnen creëren. Daarmee bezig zijn, geeft lucht. Mondriaan is yoga in kunst. Het is een soort loutering die ook sport kan hebben als je je uitput. Bij Mondriaan vergeet je de tijd. Met gemak kun je een uur voor een Mondriaan zitten. Dat kan bij een realistisch Haagse School-schilderij niet, hoe mooi ook. Daar ga je toch naar het verhaal kijken. Het werk van Mondriaan heeft dezelfde kwaliteit als iconen. Het is geen representatie van de werkelijkheid, het gaat om verbeelding, de aanwezigheid van het heilige. Bij Mondriaan creëren de verf, de compositie en de weerkaatsing van het licht zo’n werkelijkheid. Ook Joost ervoer dat zo.’ 

‘JOOST BESCHREEF HOE HET WERK VAN ROTHKO EEN TROOSTENDE WERKING HEEFT EN IK HAD DAAR DAN EEN TECHNISCHE VERKLARING VOOR, HOE DE KUNSTENAAR DAT BEREIKTE.’

‘Onze gesprekken gingen regelmatig verder dan het puur professionele. Over het vakantiehuisje waar hij een tijd woonde, de guurheid daar in de wintermaanden, de zelfmoord van zijn vader. Maar altijd nadat we eerst een actuele tentoonstelling hadden besproken, of zijn ideeën voor een nieuwe tentoonstelling hadden doorgenomen. Vol enthousiasme vertelde hij over de David Bowie-expositie in Londen. Daar was hij helemaal vol van. Twee of drie weken voor zijn dood kreeg ik nog een e-mail van hem met een tentoonstellingsidee. De manier waarop wij over kunst spraken, stapelde zich. Joost beschreef hoe het werk van Rothko een troostende werking heeft en ik had daar dan een technische verklaring voor, hoe de kunstenaar dat bereikte. Ik vertelde Joost dat het bij Rothko, net als bij Mondriaan, gaat om de manier waarop het werk is gemaakt. Hoe hij de verf heeft opgebracht. Of het weerkaatst of absorbeert. De manier waarop Rothko zijn schilderijen heeft opgebouwd, met acrylverf en afwisselend wel en geen vernislagen ertussen, zorgt ervoor dat je een verdwijnend element krijgt waardoor je wordt opgeslurpt. Door deze lagen, waarbij sommige delen wel en andere delen niet waren geglaceerd, wordt het werk vaag en transparant, waardoor je echte dieptewerking krijgt. Joost verbond dit soort zaken met de wereld. 

 

Ik heb heel lang gewerkt aan de Rothko-tentoonstelling die in 2104 en 2015 te zien was. Al vanaf 2010 sprak ik erover met Joost. Hij stuurde mij alles wat hij over de kunstenaar had geschreven, maar ik wilde iets nieuws van hem hebben. Hij mocht zelf weten wat. Juist bij Rothko zocht ik naast een analytische vertelling ook een persoonlijk verhaal, iets wat de emotie raakte. Dat kon Joost. Hij kwam met het idee over de invloed van Rothko op de Amerikaanse dichtkunst en dat vond ik gelijk een geweldig idee. Met gedichten kun je het gevoel krijgen aangeraakt te worden, van begrijpen zonder precies te kunnen aanwijzen wat het is. Gedichten werken als de zon door het wolkendek, als lucht en adem. Dat zit ook in het werk van Rothko. Dat is een transcendente ervaring. 

 

Op een dag kwam hij naar me toe om te vertellen dat hij een soort reuma had die op zijn ogen sloeg. Hij wist niet of hij het stuk kon schrijven. Ik zei toen: neem je tijd. Hij heeft het wel gered uiteindelijk. Het werd een stuk waarin hij zocht naar de diepte en zwaarte, het transcendente van de kunst. Ik ben ervan overtuigd dat zijn fysieke aandoening hem enorm heeft aangegrepen. Dat hij minder scherp werd, zijn ogen hem in de steek lieten en dat hij het schrijven niet langer dan een kwartier volhield. De lange adem voor een roman had hij niet meer.’

 

ALLES OVER KUNST

‘Joost had, net als ik, een oprechte interesse in kunst en musea. Bij hem waren het nooit zomaar praatjes over de kunst, hij had er echte passie voor. Voor de DWDD Pop Up-tentoonstelling in 2015 liet hij zich niet verleiden de voorselectie te volgen die onze conservatoren hadden gemaakt. Hij wilde zelf de kelders in, zelf zoeken, en kwam aan met Twee doden roeken van Floris Verster, het tamelijk onbekende werk Geschoten haas van Piet Mondriaan en enkele werken van Holger Niehaus, waaronder Stilleven met gepeld fruit. In 2010 spraken we, zo herinner ik me, over de Noorse schilder Edvard Munch. Hoe zit het nou met het leven van die man en hoe zie je dat terug in zijn kunst, wilde hij weten. Munch had een negatief beeld van de vrouw en een grote angst om zich te binden. Dat had sterk te maken met zijn persoonlijke verleden: hij had belangrijke vrouwen in zijn leven verloren. Zijn moeder stierf aan tuberculose toen hij vijf was en zijn vijftienjarige zus Sophie stierf daar later ook aan. Liefde werd een paar keer bruut doorgesneden door de dood. Durf je je daarna nog te binden?’

‘JOOST VOELDE ZICH VRIJ OM ASSOCIATIES TE MAKEN MET WAT ER NOG MEER GEBEURDE IN EUROPA.’

‘Wij hadden in 2011 een prachtige tentoonstelling over James Ensor. Mooier dan de Ensor-tentoonstellingen in d’Orsay Parijs en MoMA in New York, vonden de kenners. Maar omdat het na een koude winter zo’n mooi voorjaar was, kwamen er maar heel weinig mensen op af. Toen schreef Joost er een heel bevlogen verhaal over in de Volkskrant en zei er iets over in De Wereld Draait Door. Vanaf dat moment ging het lopen met duizend bezoekers per dag. Het spottende van Ensors kunst sprak hem aan. Ensor bespotte niet alleen de burgerij, maar ook de kerk, de staat, de macht. Ik trok het in onze gesprekken naar het technische. De lichte pasteltinten in plaats van de aardsheid en zwaarte van de Duitse expressionisten. Joost legde de connectie naar het nu. Ook wilde hij alles weten over de periode van de Belgische Ensor. Rond 1900 had je in Duitsland het expressionisme, in Frankrijk het fauvisme van Kees van Dongen en Matisse en in Nederland het luminisme met Jan Toorop en Mondriaan. Joost wilde verbinden. Kunsthistorici zijn dan vaak wat huiverig, maar Joost durfde het aan om het fauvisme in verband te brengen met het Duitse expressionisme uit die tijd. Hij voelde zich vrij om die associaties te maken.’

‘JOOST HIELD OOK HEEL ERG VAN WEISSENBRUCH. IK WEET NOG DAT WE OVER DE DOORKIJKJES SPRAKEN DIE DE SCHILDERIJEN LATEN ZIEN. DIE MAAKTE HIJ ZELF OOK GRAAG.’

Ik associeer Joost met kunstenaars als Vermeer en Van Gogh, maar ook met de kunst van zijn eigen generatie. Kunst uit de jaren tachtig, zoals Rob Scholte. Maar ook Rothko en de abstract expressionisten en met name de dynamiek van Pollock passen bij hem. Maar het leuke van Joost was dat hij een allesvreter was. Hij was ook lyrisch over Berlage, de architect van het Gemeentemuseum in Den Haag. In zijn boek Duel schrijft hij dat de directeur van het Stadsmuseum kantoor houdt in het mooiste museum van Nederland. Daar gaat het natuurlijk over het Gemeentemuseum. De geledingen, de menselijke maat van de zalen, hij vond het fantastisch. Duel was een soort Gimmick! over de museumwereld, een geweldig boek!

Joost hield ook heel erg van Weissenbruch en ik weet nog dat we over de doorkijkjes spraken die zijn schilderijen laten zien. Daar hadden we allebei iets mee. In het Gemeentemuseum probeerden we letterlijk doorkijkjes te creëren, zodat je altijd kunt doorkijken naar de andere zalen. Mijn fascinatie is om alles bij elkaar te trekken, de kunstgeschiedenis, de literatuur en de muziek. Doorkijkjes te geven. Dat was ook de fascinatie van Joost. Met hem sprak ik over de vriendschapsportretten van de Tachtigers, die laten zien waar hun poëzie over ging. Wij tegen de rest, het titaantjesgevoel. Bij Nescio hebben we het over de vroege Mondriaan. Joost keek als dichter van de groep Maximalen naar de postmoderne, nihilistische beeldende kunst van de jaren tachtig.’

 

DE GEKTE

‘Als ik Joost zou moeten typeren, zou het zijn als een man met heel veel energie. Iemand die maximaal ging voor wat hij wilde. Polderen was hem vreemd. Het is een gedrevenheid die op sommige mensen egocentrisch kon overkomen. Het is misschien wel kenmerkend voor de schrijverswereld. Bij schrijvers is er vaak een redacteur die het broodje voor de schrijver gaat halen en gecommandeerd krijgt: ‘en zonder boter hè!’ Dat zal in de beeldendekunstwereld niet zo snel gebeuren. Galeriehouders laten gerust hun kunstenaar zelf het bier halen en betalen. Schilders moeten opdraven om de taxi te betalen, terwijl schrijvers sowieso geen portemonnee bij zich hebben. Ze zijn immers toch met hun redacteur op stap. Ik moet daar altijd om lachen. En daar heb ik het met Joost over gehad. Dat schrijvers door uitgeverijen vaak worden behandeld als kleine kinderen. Zo van: ga maar zitten, wat heb je nodig?’

‘Bij de uitvaart van Joost in De Duif hield een groot aantal mensen een praatje. Veel mensen uit de tijd van de kunstenaarsscene van de jaren tachtig. Aan het einde nam Paul Blanca het woord. Met zijn hondje erbij en ongetwijfeld in kennelijke staat. Hij had een warrig verhaal, waarbij hij het op een gegeven moment had over een ander die in de kist lag. Toch vond ik dat mooi. Het liet de gekte van de jaren tachtig zien.’ 

Peter Buwalda
OVER DE MUZIEK VAN
JOOST ZWAGERMAN

WAH WAH

‘Met een paar mensen heb ik in 2006 het literaire poptijdschrift Wah Wah opgericht. Het was een mooi blaadje geworden, maar we moesten een list verzinnen om de verkoop op gang te brengen. Het idee was om voor elk nummer een gastredacteur aan te trekken. Zo hadden we Johan Derksen over blues, Leo Blokhuis over The Beatles en voor het tiende nummer vroegen we Joost, dat was in 2008. We waren eraan gewend dat onze gastredacteuren regelmatig vergaderingen vergaten, en soms zelfs helemaal niets meer van zich lieten horen. Bij Joost was dat anders. Hij overlaadde ons met een onwaarschijnlijke tsunami aan e-mails en ideeën. Joost was, net als ik, erg geïnteresseerd in het hiërarchisch wegzetten van popartiesten, hun liedjes en hun plek in het rijtje. Daarom stelde Joost voor een boek à la Stranded: Rock and Roll for a Desert Island te maken. Popjournalist Greil Marcus had zich in 1979 laten verleiden dit boek samen te stellen door een uitgever die er geld in zag. Marcus had de belangrijkste popcritici van die tijd gevraagd om één album te noemen dat ze mee zouden nemen naar een onbewoond eiland. In ons geval werd dat het onbewoonde eiland Rottumerplaat, het eiland waar Bomans en Wolkers zich ooit hadden laten aanspoelen. We hoopten er honderd schrijvers voor te krijgen, maar het werden er 134, vooral dankzij Joost. Zijn elan en werkdrift waren we helemaal niet gewend. Hij las alle stukken en gaf er stuk voor stuk commentaar op. Ik heb in die tijd, ik heb het eens nageteld, zo’n vierhonderd mails van Joost gekregen.’

‘DIE SOCIALE INSTELLING VAN JOOST HEB IK ZELF HELEMAAL NIET.’

‘Ik was de onderknuppel van de redactie die nog nooit iets had gepubliceerd. Jan Kuitenbrouwer en Thomas Verbogt waren de mannen met een literaire reputatie. Voor Joost was het gelijke monniken, gelijke kappen, hij was tegen iedereen even inhoudelijk en even aardig. We hebben zelfs een keer bij hem thuis vergaderd, een brainstorm met bier en chips. Ik weet nog dat mijn bijdrage 1.036 woorden telde. "Nee," zei Joost, "wij geven het goede voorbeeld, terug naar duizend woorden." Voor mijn stukje had ik geschreven dat ik de lp The Velvet Underground & Nico mee zou nemen naar Rottumerplaat. Niet om de muziek te beluisteren, maar om de plaat in een diepe kuil te begraven en de grond vervolgens hard aan te stampen. Joost was een groot fan van de band. Hij las mijn verhaal grondig, had allemaal argumenten waarom hij het er totaal niet mee eens was, maar liet me wel mijn gang gaan. Hij vond het ook wel weer geestig, geloof ik. 

 

Joost schreef de inleiding en ik een woordje achteraf. De andere redacteuren vonden dat niet mijn naam maar "redactie" onder het nawoord moest staan. "Nee," zei Joost weer, "Peter Buwalda heeft dat geschreven, het is een leuk stukje, daar moet zijn naam onder." Ik kom zelden iemand tegen die zoiets zegt. Zelf ben ik lang niet zo sociaal als Joost was, ik heb daar echt wel van geleerd, toen. Ook zag ik hoe het kan vitaliseren om je ergens volledig aan te committeren, het dan zo goed mogelijk te doen, en ieder het zijne te gunnen. Het is de topeditie van Wah Wah geworden, Joost liet duidelijk zijn stempel achter.’

 

SERIEUS OVER POPMUZIEK

‘We hebben hier bij mij thuis vaak met z’n vieren aan tafel gezeten. Joost, zijn vriendin Maaike, Suzanne en ik. Joost was de grootste gangmaker. De zaterdag na zijn zelfmoord zouden ze hier komen eten. Ik was verbijsterd, en kapot ervan, maar niet heel verbaasd. Toen mijn broertje sms’te "Zwagerman?" wist ik genoeg. Het hing als een zwaard van Damocles boven hem. We zouden samen naar Philip Roth gaan, maar dat zegde hij af omdat hij een psychische terugval had en last kreeg van de ziekte van Bechterew, een soort reuma die op zijn ogen sloeg. Eten met Joost was altijd buitengewoon gezellig. Op schrift was hij bloedserieus, zelfs in zijn columns onderbouwt hij zijn spot, maar in het echt was hij altijd grappig, onderhoudend en vol anekdotes. Ik ben eerder andersom, geloof ik. Ik ben in het echt serieuzer dan in mijn columns. Joost in het echt was losser en geestiger, maar als het ging over kunst, werd hij serieus. Hij zag kunst een stuk minder ironisch dan ik. Hij gaf gewicht aan dingen die dat verdienden. Dat vind ik een stuk moeilijker.’ 

‘MET MIJN ELVIS HAD HIJ NIKS, VOOR MIJ IS ELVIS COSTELLO EEN BIJFIGUUR.’

‘Ik ben van 1971, Joost van 1963. Tussen je 16e en 26e sta je denk ik het meest open voor muziek en wordt je smaak gevormd, er was dus overlap tussen ons. Maar onze muzieksmaken sloten elkaar zo ongeveer uit. De periode die hem het liefst was, is bij mij een zwart gat. Alles van de jaren tachtig, zoals Elvis Costello, Talking Heads, Madonna, Nirvana en de uitlopers van de jaren zeventig, zoals Joy Division en Roxy Music, daar had ik weinig mee. Elvis Costello was zijn Elvis en Elvis was mijn Elvis. Met mijn Elvis had hij niks, voor mij is Elvis Costello een bijfiguur. We vonden elkaar dan wel weer in Bowie. We hadden zelfs allebei eenzelfde favoriet: Ziggy Stardust, zo las ik een keer in de varagids. De kern van mijn muzieksmaak komt uit een periode waarin ik niet geleefd heb, de jaren zeventig, zestig, vijftig en zelfs de jaren veertig. Bij Joost was zijn favoriete muziek gekoppeld aan zijn eigen leven en zijn eigen actualiteit. Ik associeer Joost met hoe Anton Corbijn Joy Division heeft neergezet en met de tijd van Gimmick!.’

 

MUZIEK EN DE WERELD 

‘Maar Joost had wel iets te zeggen over muziek. Hij vertelde wat hij er interessant aan vond en wat er vernieuwend aan was. Hij hield de muziek altijd bij. Soms doe ik dat een tijdje, maar veel minder consequent dan Joost. Hij hield van intellectuele muziek. Wat hij probeerde te vinden in beeldende kunst zocht hij volgens mij ook in muziek: de avant-garde, het ontregelende, het conceptuele. Het rubriceren en met theorieën omkleden hoe kunst moet zijn, dat kenmerkte ook hoe hij over muziek sprak. De post-punk rekent bijvoorbeeld af met wat ik persoonlijk allemaal mooi vind en dat vond Joost dan juist weer interessant. Het naïeve is eraf, het is politiek, het steekt, het is doemdenkend, het heeft met Bret Easton Ellis te maken, en andersom. Hij dacht na over popmuziek in relatie tot de tijdsgeest en andere kunstvormen. Imago vond hij bijzonder interessant, zoals megasterren als Madonna en Prince daarmee omgingen. Ik sprak niet zozeer met hem over gitaarsolo’s of hoe een nummer nu precies in elkaar stak en waarom het zo lekker klonk. Het uitpluizen van een nummer was niet zo aan hem besteed. Hoe verhield iemand als Björk zich als artiest en personage tot de wereld? Dat soort verbindingen intrigeerden Joost. Dat is wat hem denk ik boeide in de hedendaagse kunst en ook in de muziek.

‘HET IS IRONISCH DAT NET NA ZIJN DOOD EEN AANTAL VAN ZIJN ICONEN ZIJN OVERLEDEN: DAVID BOWIE EN PRINCE.’

'Joost was mateloos geïnteresseerd in Lou Reed en The Velvet Underground. Dat waren coole gasten, die zich hadden aangesloten bij Andy Warhol waardoor ze een heel ander "cool" brachten dan The Beatles of The Stones. En dan het hele Berlijn erbij, dat was echt iets voor Joost. Joost vond The Beatles te weinig ambigu, te duidelijk, vooral de begintijd. Hij hield van het androgyne, het gekke, het religieuze dat bijvoorbeeld Prince door zijn muziek smeerde. David Bowie is natuurlijk voor Joost iemand om de vingers bij af te likken. Bowie bemoeide zich als muzikant met beeldende kunst, met poëzie, met filosofie, met sciencefiction, met zijn imago, met mode, precies zoals postmoderne schrijvers dat doen. Het is ironisch dat net na zijn dood een aantal van zijn iconen zijn overleden: David Bowie en Prince. Hij had zeker geschreven over hun dood, en ik denk zelfs ook over Muhammad Ali. Over zijn rapachtige manier van spreken bijvoorbeeld, en wat hij heeft betekend voor een beweging als de Black Panthers.’

 

VASTLEGGEN VAN DE TIJD

‘In de popmuziek kun je maximaal tien jaar voorlopen, dat blijkt telkens weer. Dat geldt niet voor literatuur, daar kun je het veel langer volhouden. The Stones waren na Exile on Main Street in 1972 op sterven na dood. Daarna zijn ze ingehaald door de tijd. Tussen 1978 en 1988 was alles wat Prince maakte hip en grensverleggend, op het scherp van de snede. Na Lovesexy zakte hij helemaal weg. Dat is een raadsel van de popmuziek, daar heeft Joost goed over geschreven, vind ik. 
Tegelijk ben ik denk ik ernstiger over popmuziek dan Joost was. Ik zou niet weten waarom een goed nummer niet boven een goed gedicht zou kunnen uitkomen. Zonder ‘Heartbreak Hotel’ zou ik niet kunnen leven. Dat heb ik ook bij The Beatles, Mozart, James Brown en Thelonious Monk: als je kunt promoveren op J.C. Bloem dan kun je dat zeker ook op Jimi Hendrix. Voor Joost lag het geloof ik anders: beeldende kunst, poëzie en literatuur stonden bij hem bovenaan, muziek kwam daarna.’

‘ZELF VIND IK EEN ESSAY SCHRIJVEN HARDER WERKEN DAN HET MAKEN VAN FICTIE.’

‘Joost wilde doorgronden, kennis ventileren en doorgeven. Hij was een leraar. Hij had niet zozeer een mening, maar was beschouwend en nieuwsgierig naar de betekenis van iets. Ik vond zijn essays altijd goed en informatief. Als ik iets wil weten over Norman Mailer of Andy Warhol, dan pak ik Joost erbij, het zijn documentaire portretten. Mailer vond hij geweldig juist omdat die overal over kon schrijven. Dat kon Joost ook. Je hoort wel eens dat Joost zoveel essays scheef om maar niet aan zijn proza te hoeven beginnen. Dat geloof ik niet. Hij nam de essayistiek serieus, alleen al afgaande op de grote aantallen die hij er schreef, met al dat leeswerk en enthousiasme die nodig zijn om dat te kunnen doen. Zelf vind ik een essay schrijven harder werken dan het schrijven van fictie. Het is moeilijker om er leven in te blazen. Je krijgt er ook niet zoveel lof voor als voor proza. Bovendien laat Joost een flink fictie-oeuvre na, die man heeft zes romans geschreven plus een Boekenweekgeschenk. En daar bovenop nog eens zo’n zeshonderd essays. Ik heb nog maar één roman geschreven. Joost heb ik het hoogst zitten als essayist, al vond hij zichzelf vooral een dichter. Van zijn romans vind ik Chaos en rumoer, over een schrijver met een writer’s block, het beste. Het zit listig in elkaar, het is gelaagd en spannend met postmoderne grappen en satire. Hij was bezig een boek te schrijven over een arts in Tuitjenhorn. Een soort The Executioner's Song/In Cold Blood-achtig boek. Faction. En dat was geen vaag voornemen, dat ging hij echt doen…’

Luister nog meer favoriete muziek van Joost Zwagerman in de door Peter Buwalda samengestelde Spotify-playlist:

 

Colofon

Bijzondere dank gaat uit naar Jessica Durlacher, Benno Tempel en Peter Buwalda.

 

Tekst KOOS DE WILT

Tekst biografie DICK WELSINK

Eindredactie AAFKE VAN HOOF

Illustraties GIJS KAST

Fotografie MICHIEL SPIJKERS

JOOST (VOLUIT JOHANNES JACOBUS WILLEBRORDUS) ZWAGERMAN

Joost (voluit Johannes Jacobus Willebrordus) Zwagerman werd op 18 november 1963 geboren in Alkmaar. Zijn ouders waren daar allebei werkzaam in het onderwijs. In 1975 ging hij naar het atheneum op de openbare Rijksscholengemeenschap Noord-Kennemerland in zijn geboorteplaats. Toen hij 12 of 13 was begon hij met een eenmanstijdschrift, de Zwagergids. Daarvoor knipte hij plaatjes uit tijdschriften die hij op multomapblaadjes plakte en van eigen commentaar voorzag. In 1978 werd hij ‘wegens gedragsproblemen’ overgeplaatst naar de derde klas van de havo. Na zijn eindexamen ging hij naar de Pedagogische Academie, het eerste jaar in Bergen, het tweede en derde in Alkmaar. In het laatste jaar van zijn opleiding tot onderwijzer werd, onder het pseudoniem J. Wagnermaz, in het aprilnummer van het tijdschrift Wildgroei zijn eerste gedicht gepubliceerd. In 1984 begon hij aan de studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij staakte deze in 1988 om zich helemaal aan de literatuur te kunnen wijden.

Met onder meer Frank Starik, Pieter Boskma en Koos Dalstra, allen een stuk ouder dan hij, vormde Joost Zwagerman in de tweede helft van de jaren tachtig de harde kern van de dichtersgroep ‘De Maximalen’. Hij trad op als woordvoerder van deze nieuwe generatie dichters die de bezem wilden halen door de Nederlandse poëzie, die in hun ogen verworden was tot het kunstig figuurzagen van stillevens. Na de publicatie van de bloemlezing Maximaal (1988) viel de groep algauw uit elkaar. Op 29 september 1989 hief ze zichzelf op.

Al vanaf 1985 schreef Joost Zwagerman recensies, artikelen en columns voor onder meer Vrij Nederland, HP/De Tijd en de Volkskrant. Hij debuteerde met de roman De houdgreep (1986) terwijl in hetzelfde jaar een klein bibliofiel uitgegeven dichtbundeltje verscheen, De stilte ontluisterd. Zijn doorbraak beleefde hij drie jaar later met de roman Gimmick! waarvan inmiddels in verschillende edities meer dan vijfentwintig drukken zijn verschenen. Een nog groter succes is Vals licht (1991): in 1992 genomineerd voor de AKO Literatuur Prijs, verfilmd door Theo van Gogh in 1993, meer dan dertigmaal herdrukt, en vertaald in het Frans en het Duits. Ook De buitenvrouw (1994) mocht op een warm onthaal rekenen. Zwagerman was in 2003 en 2004 presentator van Zomergasten. In 2010 was hij de auteur van het Boekenweekgeschenk, Duel.

Behalve romans, verhalenbundels en dichtbundels publiceerde Joost Zwagerman bundels essays over kunst, literatuur en popcultuur, zoals Alles is gekleurd (2011) en Americana (2013). Ook in DWDD was hij regelmatig te zien, waar hij, als een hedendaagse Pierre Janssen, kunst becommentarieerde.

Na de nominatie van Vals licht in 1992 werd Joost Zwagerman in 2007 opnieuw genomineerd voor de AKO Literatuur Prijs, nu met de essaybundel Transito. Voor de dichtbundel Roeshoofd hemelt (2005) kreeg hij in 2007 de Paul Snoek Poëzieprijs, voor zijn gehele oevre in 2008 de Gouden Ganzenveer.

Joost Zwagerman is op 8 september 2015 in zijn woonplaats Haarlem overleden. Hij koos ervoor een eind aan zijn leven te maken. Op de dag na zijn overlijden verscheen De stilte van het licht, een bundel met essays over de verbeelding van de stilte in de kunst. In januari 2016 kwam een nog door hemzelf voor publicatie gereedgemaakte bundel met gedichten uit, Wakend over God.

Biografie