Als het aan Carry van Bruggen lag, bestond het Literatuurmuseum niet

‘Ik haat persoonsvereering’, schreef Carry van Bruggen in 1924 aan de grondlegger van het Literatuurmuseum. Ze wilde dan ook geen archiefstukken afstaan voor de collectie, haar manuscripten gooide ze in de prullenbak. De brief waarin ze dat uitlegt, is wél bewaard gebleven. 

 

Als het aan Carry van Bruggen lag, bestond het Literatuurmuseum niet. De geliefde schrijfster hield er niet van zichzelf op een voetstuk te plaatsen, hoe openhartig en persoonlijk ze ook schreef.  

 

In 1924 vroeg Willem Moll, de grondlegger van het museum, haar om archiefstukken voor zijn verzameling. Van Bruggen moest er niets van weten. ‘Ik haat persoonsvereering’, schrijft ze hem terug. Haar brief is kort en duidelijk. ‘Manuscripten bezit ik niet, zij gaan in de prullebak en verhuizen vandaar naar het aschvat, als het boek verschenen is’. Het leest haast alsof ze haar manuscripten met plezier de prullenbak in sodemietert.  

 

Johan Diedrich Hendriks schilderde een somber portret van Carry van Bruggen

Bekijk portret

‘Ik wil ook niet dat de mensch in de kunstenaar verheerlijkt worde en dat hij nog meer, dan hij al doet, zichzelf verheerlijke’. Hier bleef ik haken. Voor de reeks die ik maak over vergeten schrijfsters, valt op hoe summier of rommelig hun archieven zijn. Meestal vond ik maar één doos met opschrijfboekjes, slordig bij elkaar gebracht, zonder vermelding van jaartallen. Of er was slechts één manuscript bewaard gebleven. Soms ging het om een handjevol briefkaarten of een eenzijdige briefwisseling.  

 

Bij Carry van Bruggen (1881-1932) stuitte ik op een brief waarin ze het hele concept van het schrijversarchief afdoet als zelfverheerlijking. ‘Het kunstscheppend individu’, schreef ze, heeft ‘geen verder belang en beteekenis, dan het belang en de beteekenis, die hij in zijn werk tot uiting kan brengen en waarvan zijn werk getuigt.’  

 

 

Carry van Bruggen, omstreeks 1912. Collectie Literatuurmuseum

 

 

‘Ik wil niet dat de mensch in de kunstenaar verheerlijkt worde en dat hij nog meer, dan hij al doet, zichzelf verheerlijke’

 

 

In haar laatste levensjaren heeft ze dan ook bijna alles vernietigd. Bijna alles: in het museum liggen onder andere nog brieven aan andere schrijvers, een paar mappen met drukwerk, een handgeschreven vertaling van De drie musketiers

 

Wie hielden nu de zorgvuldigste en grootste archieven van hun eigen werk bij? Na een korte navraag bij het Literatuurmuseum bleek dat Mulisch daar erg goed in was. Maar ook Hermans kon er wat van, zijn archief bestaat uit meerdere stellingkasten. Dat geldt ook voor Vestdijk, Van Deyssel en, recenter, Zwagerman. De gemene deler hoef ik niet te benoemen. In literatuurgeschiedenissen wordt Carry van Bruggen geprezen om hoe zij het vrouwelijk bewustzijn beschreef. Is haar gebrek aan aandacht voor het archiveren ook vrouwelijk te noemen? Dat weet ik niet. Maar het valt op dat de schrijfsters die ik heb leren kennen hun archief over het algemeen niet best op orde hadden, of dat nu een principiële keuze was of niet.  

 

Winnares van de allereerste P.C. Hooft-prijs en toch totaal vergeten

Lees meer

Mulisch hield een kast bij met van elk van zijn boeken een exemplaar, ook van iedere volgende druk en van de vertalingen. Zijn manuscripten bewaarde hij zorgvuldig in speciale mappen, met alle versies, met aantekenbriefjes. Hij gooide zelfs notities over de namen die hij verzonnen had voor zijn hoofdpersonages niet weg. In grote cahiers liet hij door een assistente kritieken en reacties plakken. Naast romancier was hij ook een zeer kundig archivaris. Ik geloof niet dat het Mulisch ging om te bewijzen dat hij de zorgvuldigheid zelve was, het was de liefde voor zijn eigen werk die hem ertoe bracht alles zo secuur te ordenen.  

 

En dat is precies waar Van Bruggen het over heeft: het ego. Om een goed archief bij te houden van het eigen werk is de overtuiging nodig dat het scheppen an sich van belang is, het proces zelf. Iets waar Van Bruggen tegen streed. Haar werk moest op zichzelf staan: ‘Wat dus van mij de moeite waard is, zal blijven en zal blijven spreken in mijn werk.’ Hadden we Carry van Bruggen nu beter onthouden als zij haar archief beter had onderhouden? Misschien, het ontbreken ervan heeft er in elk geval niet aan bijgedragen. 

 

Ik zou schrijvers kunnen oproepen om hun archieven beter te onderhouden en dan met name de schrijfsters streng aankijken. Laat uw ego groeien, bewaar die kronkels die u tijdens het nadenken over uw laatste roman maakte. Maar ik zou ook in de geest van Carry van Bruggen kunnen blijven, en juist pleiten voor het te gronde richten van de zelfverheerlijking. Duw uw manuscript zodra u klaar bent door de papierversnipperaar, delete alle versies en kijk nooit meer terug.  

 

Of misschien doe ik juist het meeste recht aan de nalatenschap van Van Bruggen door helemaal geen keuze te maken, zoals ze in haar eigen werk altijd twijfel toeliet. Om zo net als zij voor altijd in overdenking te blijven. Haar brief steekt daar misschien wel bij af, maar goed, die hadden we dan ook nooit moeten lezen.  

 

Carry van Bruggen aan Willem Moll, 1 november 1924

 

Laren N-H. 1-11-24 

 

Zeer Geachte heer, 

 

Tegen het inwilligen van Uw verzoek heb ik principieele bezwaren. Tegenover het algemeene streven, èn van het publiek, èn van de kunstenaar, om de persoon van den kunstenaar op de voorgrond te brengen, maak ik mijnerzijds zooveel mogelijk propaganda (in woord en geschrift) voor een tegengestelde opvatting. Naar mijn meening, ook in dit opzicht wensch ik mijn „pantheistische” levensbeschouwing in toepassing te brengen, heeft het individu, ook het kunstscheppende individu, geen verder belang en beteekenis, dan het belang en de beteekenis, die hij in zijn werk tot uiting kan brengen en waarvan zijn werk getuigt. Ik haat persoonsvereering, daarom ook haat ik het koningschap, daarom zou dàt alleen mij reeds voldoende zijn geweest om mij te onthouden, zooals ik deed, van elk meedoen aan die „Jubileum-tentoonstelling” van verleden jaar. Maar mijn haat aan persoonsvereering gaat verder, ik wil ook niet dat de mensch in de kunstenaar verheerlijkt worde en dat hij nog meer, dan hij al doet, zichzelf verheerlijke. Manuscripten bezit ik niet, zij gaan in de prullebak en verhuizen vandaar naar het aschvat, als het boek verschenen is -, portretten zijn alleen voor mijn man en kinderen van belang en brieven, nu, U zult blij zijn als U deze hebt kunnen lezen! Wat dus van mij de moeite waard is, zal blijven en zal blijven spreken in mijn werk, en is dat uit, dan is het uit. De wetenschap, die zich aan archieven voedt, kan ik zóó weinig hoogachten, dat het denkbeeld, haar toekomst te helpen verzekeren, mij alles behalve aangenaam is. Rede waarom ik Uw verzoek werkelijk niet inwilligen kan. 

 

Hoogachtend, 

 

Carry van Bruggen