‘Ballade van den katholiek’ – Een weerwoord van Anton van Duinkerken aan Mussert

W.J.M.A. Asselbergs (1903-1968) is beter bekend onder zijn pseudoniem Anton van Duinkerken. Het Literatuurmuseum heeft een groot en levendig archief van deze schrijver dat een mooi beeld geeft van de literaire wereld in zijn periode.

 

Van Duinkerken kwam in 1903 ter wereld in Brabant, in Bergen op Zoom, als zoon van een bierbrouwer. Al op jonge leeftijd wist de jongen dat hij priester wilde worden, maar hij had nog een andere grote passie: de literatuur. Hij had contact met diverse literaire tijdschriften maar voor een priester in opleiding was publiceren verboden. Van Duinkerken nam een pseudoniem aan, maar daar kwam de bisschop snel achter, en die dwong hem als het ware tot een ‘literair celibaat’. Maar Van Duinkerken wilde ook buiten de invloed van het kerkelijk gezag serieus worden genomen als schrijver en verliet het seminarie. Hij ging aanvankelijk naar Tilburg om verder te studeren maar verhuisde enkele jaren later, op zijn zesentwintigste, naar Amsterdam. 

 

De daaropvolgende jaren was hij daar literatuurcriticus bij het rooms-katholieke dagblad De Tijd, en redacteur van de eveneens rooms-katholieke literaire tijdschriften Roeping en De Gemeenschap (waarin hij de degens kruiste met Menno ter Braak en Hendrik Marsman), hij publiceerde alles bij elkaar een dertigtal boeken en raakte bevriend met Godfried Bomans. Hij was inmiddels een prominente literaire figuur, maar zijn bereik zou spoedig groter worden. 


En dat gebeurde nadat op 9 december 1935 op de voorpagina van De Tijd ‘Ballade van den katholiek’ werd gepubliceerd. Andere kranten volgden en de ‘Ballade’ werd gebundeld in Hart van Brabant. In 1937 werd er een rijmprent van uitgegeven, met een portret van de dichter naar een tekening van Mies Blomsma. Inmiddels genoot Van Duinkerken landelijke bekendheid. 

Als intro staat bij de ballade: ‘Aan Ir. A. Mussert, die zich in zijn propagandablad van vrijdag 6 december 1935 veroorloofde te schrijven over “den zich katholiek noemenden Van Duinkerken”’. Van Duinkerken had bij de Amsterdamse Commissie van Bijstand voor Kunstzaken positief geadviseerd over de subsidie voor het stuk De Beul van de Zweedse schrijver – en latere Nobelprijswinnaar – Pär Lagerkvist, waarin de rassenleer van de nazi’s aan de kaak werd gesteld.
 

 

Rijmprent uit 1937 van 'Ballade van den katholiek', met een tekening door Mies Blomsma (collectie Literatuurmuseum)

Het stuk door de Amsterdamsche Toneelvereeniging ging in première op 10 november 1935 en kende daarna nog drie openbare en drie besloten uitvoeringen. De recensies waren – zoals zo vaak bij geslaagde kunst – wisselend. Simon Carmiggelt besprak de voorstelling positief in Vooruit, de Haagse uitgave van het sociaaldemocratisch dagblad Het Volk. Hij schreef: ‘Een hoogtepunt is het gevecht met de negers*, die zich hebben verstout in de nabijheid van de rasbewuste ariërs een broodje te eten, en zich daardoor de woede van de aanwezige “gentlemen” op de hals halen.’ De Telegraaf publiceerde daarentegen een directe oproep tot door het volk afgedwongen staatscensuur: ‘De meest doelmatige wijze om de overheid te dwingen, niet alleen om zich er van te onthouden dergelijke stukken te subsidiëren, maar ook om ze te verbieden, is dat vele Amsterdammers weten wat er bij ons op het Leidscheplein wordt gespeeld.’

Een week later, op 1 december 1935, vielen de knokploegen van NSB-leider Anton Mussert de Amsterdamse Stadsschouwburg binnen om de acteurs, bezoekers, leiding en theatermedewerkers angst aan te jagen en het stuk te verstoren. De politie was ter plaatse maar kon het verstorende geschreeuw en gezang niet voorkomen zonder de gummistok in te zetten – een overwinning van de knokploeg: geweld dat kunst verstoort. De voorstelling werd voortaan besloten gespeeld (driemaal uitverkocht): ‘Voor terreur ga ik niet opzij, met terreur reken ik af,’ aldus de Amsterdamse burgemeester De Vlugt. 
 


 

Scène uit de opvoering van De beul van Pär Lagerkvist door de Amsterdamse Toneelvereniging in 1935.

 

Zie voor de commotie daarover de aflevering van Andere tijden van 1 maart 2001 (vanaf 16:35).

 

 

 

 

 

Mussert publiceerde een week na de inval over de volle voorpagina van NSB-weekblad Volk en Vaderland het artikel ‘Gesubsidieerde liederlijkheid’, waarin hij Van Duinkerken aanviel als lid van de commissie die positief had geadviseerd. Hoe kon een vrome, trotse Nederlander zo denken over kunst, Nederland en Duitsland en het communisme?

 

Musserts bezwaren tegen het stuk: het toneelstuk bevatte ‘1. Talrijke godslasteringen. 2. Beschimping van het leger dat gepersonifieerd wordt door een dronken soldaat. 3. Onbeschrijfelijk gemeene beleedigingen van het Duitsche volk. 4. Beleediging van een groote volksgroep van het Nederlandsche volk, n.l. zij die de nationaal-socialistische gedachte zijn toegedaan. 5. Verheerlijking van het wereld-cultuur-bolsjewisme.’ In een zogenaamde protestvergadering, ook die dag gehouden, protesteert Mussert ook nog tegen het ‘niet-arisch zijn’ van Do Mogendorff, een van de danseressen in het stuk – dat een cast van meer dan zeventig personen kende – én de vrouw van hoofdrolspeler en regisseur Albert van Dalsum.

 

Een fris clubje, al met al, dat beter kon uitdelen dan incasseren.

 

Van Duinkerken klom in de pen en schreef in een nachtzijn ballade, niet direct een pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting, noch een hekeldicht tegen Mussert, nee, het gedicht was meer: het was een geloofsbelijdenis, en wel een die zich uitsprak tegen het nationaalsocialisme. Wie zich katholiek noemde, vond of voelde, kón geen sympathisant zijn van Mussert en de zijnen.

 

De beginselverklaring opende met de regels:

Jawel, mijnheer, ik noem mij katholiek,

En twintig eeuwen kunnen ’t woord verklaren

Aan u en aan uw opgewonden kliek,

Die blij mag zijn met twintig volle jaren

Het gedicht kon dus worden gezien als een strijdkreet tegen de NSB van de roomse zuil in het verzuilde Nederland van het interbellum, maar óók als oproep tot zijn volksdeel om zich te emanciperen en zich breder en internationaler op te stellen. Helaas met weinig succes, ook voor de auteur zelf: in 1936 nam Van Duinkerken plaats in het Comité van Waakzaamheid, dat zich expliciet keerde tegen de opkomst van het nationaalsocialisme in Nederland en elders in Europa. Aartsbisschop Johannes (Jan) de Jong – de latere kardinaal – liet hem weten dat hij uit dat comité moest, want katholieken hoorden niet thuis in zo’n groepje  niet-katholieken.

Elke verdere strofe, een ‘waarom’ van Van Duinkerkens geloofsbelijdenis, had dezelfde slotregel, een variant op de openingszin: ‘Daarom mijnheer, noem ik mij katholiek!’ Die redenen contrasteerden vaak sterk met de gedachteleer van de NSB. Zo luidde het slot van de tweede strofe, die handelt over de maagd Maria: ‘een Joodsche vrouw, die gij diep zoudt verachten/ – Joden zijn aan uw soort niet sympathiek –/ maar die het licht is onzer zwartste nachten,/ Daarom, meneer, noem ik mij katholiek!’

En de laatste: ‘Heer Jesus zoet, Prins van de ware Kerk,/ Die één is, heilig en apostoliek,/ Maakt ons in dienst van zijnen vrede sterk./ Daarom mijnheer, noem ik mij katholiek!’.

Het moge duidelijk zijn: ‘De Ballade’ is een antifascistisch, antinationalistisch én pacifistisch gedicht, een even bevlogen als passieve oproep tot bewustzijn, nederigheid en verzet tegen het nationaalsocialisme: 

 

Steeds zal de holle leuze misdaad baren

zodra zij vruchtbaar wordt bij ’t veil publiek!

Ik kies de zijde van de martelaren.

Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

 

[...]

 

Nooit leerde ik de hand ten hemel steken,

heil roepend om een nagemaakte Pruis.

Op wat zich heil noemt, heeft mijn Kerk kritiek.

De ware heiland kent ze aan ’t ware kruis.

Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

 


 

Van Duinkerken legde zijn gedicht voor aan Alphons Laudy, hoofdredacteur van zijn eigen De Tijd. Hoewel redacteur Leonardus van den Broeke De Beul in zijn krant had getypeerd als ‘een godslasterend stuk’ en ‘een doorloopende hoon van het Duitsche staatsbestuur’, zette Laudy het gedicht op zijn voorpagina.

 

De dag daarna volgden vele andere kranten, waaronder ook Carmiggelts Het Volk. Maar ook hier eindigde de reis van ‘De Ballade’ nog niet: Van Duinkerken was in Amsterdam bevriend geraakt met de van oorsprong Joodse, Oostenrijkse schrijver Joseph Roth, die zich eind jaren dertig tot het katholicisme zou bekeren, en na de benoeming van Adolf Hitler tot rijkskanselier was uitgeweken naar Parijs. Van Duinkerken had Der Antichrist van Roth besproken, en toen dat in het Nederlands werd vertaald, kwam de auteur naar Amsterdam. Op en rond het Leidseplein brachten de twee – Van Duinkerken was de zoon van een bierbrouwer en een echte Brabantse (want: carnaval-vierende) bourgondiër – lange avonden met elkaar door. Roth vertaalde het gedicht voor het Oostenrijkse weekblad Der Christliche Ständestaat:
 

Jawohl, mein Herr, ich nenn’ mich Katholik!

Mein Heil, es lebt schon seit zweitausend Jahren!

Blind vor dem Heil ist Eurer stumper Blick:

Ihr horet nur den ‘Heil’-Ruf der Barbaren.'

 

Brief d.d. 30 december 1936 van Joseph Roth aan Van Duinkerken (collectie Literatuurmuseum)

Het gedicht sloot naadloos aan bij Roths toekomstbeeld. In 1933 schreef hij al aan zijn vriend Stefan Zweig dat Europa wederom op een grote catastrofe afdreef en dat er een nieuwe oorlog zou komen, omdat er een nieuw bewind van barbaarsheid aan de macht was gekomen: ‘Hou jezelf niet voor de gek. De hel regeert.’

En ook in Nederland klopte die profetie, nog voor Kerstmis besloot de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken De Wilde het stuk te verbieden: ‘Wijs beleid,’ stelde de excellentie, ‘vordert dat het stuk niet meer voor vertoning wordt toegelaten.’

Hoe anders was de reactie in Noorwegen geweest, een jaar eerder. Het stuk kende vele opvoeringen en tussen Bergen en Oslo reden zogenaamde ‘theater-treinen’, zodat ook Noorse hoofdstedelingen het stuk konden zien. Elke voorstelling eindigde met minutenlange ovaties. Let wel: op de tweede avond in Bergen kwamen ook felle protesten van Noorse nationalistische groepen, maar het stuk bleef op het repertoire – mede door de vele toesnellende toeschouwers dus, en ministers die niet toestonden dat makers werden gemuilkorfd door intimiderend tuig, hypocriete dagbladen, bange politici. 

Samenvattend: Van Duinkerken sprak zich met zijn gedicht niet alleen uit tegen Mussert c.s., maar ook tegen aartsbisschoppen en ministers, én tegen zichzelf: tegen wat hij zelf niet altijd zou doen. Hij spoorde zichzelf in versvorm aan zijn best mogelijke zelf te zijn.

Dat lukt niet altijd. Krap een jaar later stapte hij onder pressie uit het Comité van Waakzaamheid. En ja, na de oorlog werd hij lid van de Partij van de Arbeid, maar hij zegde weliswaar met tegenzin dat lidmaatschap ook weer op om hoogleraar te worden aan de katholieke universiteit van Nijmegen. En ja, hij stond een brede blik op de wereld voor, maar zijn voorkeur voor het katholicisme bleef ondubbelzinnig. Tegelijkertijd was hij na de oorlog vergevingsgezind voor hen die fout waren geweest, zoals de – protestantse! – auteur Jan Eekhout. In de geest en gedachte van de verteller van ‘De Ballade’, een alerte verteller, was de schrijver soms – maar niet altijd – een werkelijk gelovig mens, en derhalve gehoorzaam aan de wet van zijn God: dat leven liefde is, niet haat.

 

* De schrijver is zich bewust van de huidige connotatie bij dit woord, maar heeft vanwege historische accuratesse het citaat van Carmiggelt niet aangepast.

Anton van Duinkerken in de Schrijversgalerij

 

Dit portret werd in 1958 gemaakt door Theo Swagemakers in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Het toont Van Duinkerken als imposant en intimiderend hoogleraar, een positie die hij in 1952 had verworven, maar waar hij zijn lidmaatschap van de PvdA voor had moeten opzeggen.

 

Bekijk het portret in de Schrijversgalerij.