Charlotte Mutsaers en Louis Lehmann, gezamenlijk zingend over de moord op moorddadige vissers

In welke schrijverstraditie past Joost Oomen met zijn hengel en gedichten voor vissen? Er zijn twee Nederlandse schrijvers die zich eerder in de vissenpoëzie begaven, ontdekt hij in het Literatuurmuseum: Charlotte Mutsaers en Louis Lehmann. Lees mee met hun vriendschappelijke, enigszins onhandige briefwisseling.

 

Onlangs ben ik betrokken geraakt bij vissen. Dat zit zo: ik werd uitgenodigd om voor een maand te resideren op een eiland in de Tyrreense zee, Salina geheten, waar ze naast de visserij van het toerisme leven, maar waar door de coronacrisis al dik een jaar geen toerist gesignaleerd was. Om de toeristen terug te lokken probeerde ik een vis te vangen met een gedicht. Als ik een vis kon vangen met een gedicht zou ik bewijzen dat de vissen rond Salina van poëzie houden en wanneer dat bekend werd, zouden er van heinde en verre dichters naar het eiland komen om hun gedichten aan het vissenpubliek voor te lezen. Tussendoor zouden al deze dichters op het terras de lokale wijn drinken en de bevolking van Salina zou wederom rijk zijn.  

 

Voor mij klonk dit als een waterdichte redenatie en ook de burgemeester van Salina, die mij een visvergunning verstrekte, zag de logica van mijn plan in. Maar terug in Nederland, nadat ik géén vis had gevangen, maar wel mijn avontuur had opgeschreven en als boek had uitgebracht, kreeg ik van vrienden en familie, van krantenjournalisten en tv-presentators steeds de vraag: ‘Hè?! Wat?! Waarom zou je een vis vangen met poëzie? Vissen kunnen toch helemaal niet lezen?!’ Ze werden er vaak zelfs een beetje giebelig van, terwijl ik het helemaal niet grappig bedoeld had. 

 

Als je als beginnend schrijver niet serieus wordt genomen, en je ergert je daaraan, kun je mijns inziens drie dingen doen: je toon wijzigen (never!), de giebeligheid van je toehoorders omarmen of je optrekken aan gearriveerde schrijvers die ergens een thema of interesse met je delen, om zo te bewijzen dat ook jouw gedichten en verhalen legitimiteit bezitten. Volksstammen jonge schrijvers worden serieus genomen door de literaire kritiek (en het publiek) omdat hun geklets over een rotjeugd een beetje lijkt op andermans geklets over een rotjeugd. Geen schande natuurlijk, maar bij poëzie voor vissen ligt dit iets ingewikkelder. Want welke schrijver hield zich dáár al eerder mee bezig? In welke schrijverstraditie pas ik met mijn hengel en eiland en gedicht? Gelukkig schiet op dit soort momenten het Literatuurmuseum te hulp.  

 

 

Bij poëzie voor vissen ligt dit iets ingewikkelder. Want welke schrijver hield zich dáár al eerder mee bezig?

 

 

Ansicht van Charlotte Mutsaers aan Louis Lehmann

 

 

Er zijn twee Nederlandse schrijvers die zich eerder uitdrukkelijk in de driehoek visser, vis en poëzie begaven: Charlotte Mutsaers en Louis Lehmann. Dat wist ik al een beetje, want een aantal jaar terug las ik op een hotelbed in Boston het boek Zeepijn van Charlotte Mutsaers over de samenhang tussen kerstmis, dennenbomen, vissen en de zee. En over Lehmann had ik gehoord dat hij niet alleen schrijver en dichter was, maar ook scheepsarcheoloog, en scheepsarcheologen moeten wel een hoge pet ophebben van het leven in de zee omdat er nog nooit een wrak is gevonden dat niet éérst ontdekt is door vissen. Maar dat Mutsaers en Lehmann zich met zijn tweeën nog veel dieper in de vissenpoëzie hebben begeven, bewijst een briefwisseling (of eigenlijk meer kaartjeswisseling) tussen deze twee schrijvers.  

 

Op negenentwintig december 1987 schrijft de dichter Louis Lehmann een kaartje aan Charlotte Mutsaers. Het is een kaart van een mevrouw op een fiets die een spoortunnel uit rijdt (heel toepasselijk rond nieuwjaar) en op de achterkant heeft Lehmann een haastig bedankje voor een eerder ontvangen kerst- en oud-en-nieuwgroet gekrabbeld. Dank, dezelfde wensen die er elke dag zijn voor iedereen die ik niet haat, schrijft hij. Maar om deze tekst heen noteert Lehmann iets veel belangrijkers, alsof hij zich vlak voor versturen realiseerde dat deze belangrijke informatie ook nog met de post mee moest: o.a. bezig het behartenswaardige gedicht Sterre der zee op muziek te zetten, hoop dat daar geen bezwaar tegen is. Op 4 januari van het nieuwe jaar geeft Mutsaers haar zegen. Geen bezwaar tegen muziek voor Stella Maris, integendeel! schrijft ze terug, Maar mag ik t.z.t. dit Fisches Nachtgesang ook horen? 

 

 

 

 

Het gedicht waarover Lehmann het heeft is het gedicht ‘Sterre der Zee help de vissers om zeep’. Het verscheen voor het eerst in 1984 in De Gids en werd een jaar later opgenomen in het boek Hazepeper (1985, Meulenhoff). Het is eigenlijk meer een lied dan een gedicht. In het gedicht wordt geschetst wat een visser allemaal uitspookt tijdens een dagje vissen, waarna aan de Sterre der Zee wordt gevraagd of ze dit alstublieft een halt wil toeroepen door de vissers een harpoen in hun zij te werpen en hun vrouwen en bootjes op de rotsen te pletter te doen slaan. Een vrij gruwelijk gedicht, maar voor een overtuigd dieren- en dus vissenvriend als Mutsaers ook een logisch gedicht om te schrijven. Lehmann, muziekliefhebber en bespeler van gitaar, mondharmonica, accordeon en piano, wijdt zich aan de taak om dit gedicht van een compositie te voorzien.  

 

En zo ontspint zich een vriendschappelijke, enigszins onhandige briefwisseling. Onhandig, want Lehmann vergist zich meerdere malen in het adres (naar eigen zeggen o.a. afgeleid door de ‘40 jaar NAVO’-postzegel die hij gebruikte), krijgt zijn eigen brieven retour, schrijft daar dan weer over aan Mutsaers, maar schrijft vervolgens de naam van Mutsaers’ man verkeerd (Jan van Tijn in plaats van Fontijn) wat hem weer op een reprimande van Mutsaers komt te staan. Een vriendelijke reprimande, want je merkt aan de toon op de ansichtkaarten dat ook buiten de briefwisseling om Mutsaers en Lehmann vrienden worden. Er worden groeten gedaan aan gemeenschappelijke kennissen, er wordt gerefereerd aan teksten van beide schrijvers die in tijdschriften zijn verschenen en onderwijl werkt Lehmann door aan de muziek voor het Antivissers-lied.

 

Iets minder dan een jaar nadat hij om toestemming vroeg, is de muziek voor het lied af. Ik weet dit niet omdat Lehmann dit trots aan Mutsaers schrijft, die brief is verloren gegaan of nooit geschreven, maar omdat Mutsaers aan Lehmann meldt dat zijn compositie bonkend en snauwend op een vertolker ligt te wachten. Mutsaers en haar man hebben maar één vriend die behoorlijk pianospeelt (dichter en vertaler Marko Fondse) en omdat die nou net in Griekenland zit, stelt Mutsaers voor dat Lehmann het lied zelf komt spelen. Blijkbaar stemt Lehmann toe, want op 2 januari 1989 stuurt Mutsaers Lehmann nog een keer de tekst van het gedicht, zodat Lehmann nog wat kan studeren. Ze stelt zelfs voor om er een optreden in de huiselijke kring omheen te organiseren want Wij hebben een goeie piano en ook nog goeie buren.  

 

 

Mutsaers in avondjurk en Lehmann in smoking, gezamenlijk zingend over de moord van hogerhand op even moorddadige vissers

 

 

Dat optreden heeft plaatsgevonden. Er zijn geen foto’s van, geen filmopnames, maar er zijn wel twee indirecte bewijzen van. Als eerste bewijsstuk is er een gesigneerd exemplaar van Hazepeper, in het bezit van Alida Beekhuis, de weduwe van Lehmann, met de volgende opdracht erin: Voor Louis Lehmann bij de première van onze co-productie Sterre der zee (p. 90) gezongen 17 maart 1989 in de Langestraat te Amsterdam. Het tweede bewijsstuk is een ansichtkaart van 11 april van Mutsaers naar Lehmann. Die ansichtkaart gaat eigenlijk over iets anders (over de opera en hazen), maar aan het eind vraagt Mutsaers of Lehmann het bandje met ons lied ontvangen heeft. Hoewel nog niet teruggevonden moet er dus ergens op de wereld een opname zijn van deze gedenkwaardige avond. Lehmann en Mutsaers aan de woonkamerpiano, Mutsaers in avondjurk en Lehmann in smoking, omringd door vrienden en dan gezamenlijk zingend over de moord van hogerhand op even moorddadige vissers.  

 

 

Na deze uitvoering is de aandacht voor het lied bij Mutsaers niet direct weg. Op 20 november 1995 schrijft Mutsaers Lehmann een bedankje omdat hij zo vriendelijk was de muziek van het lied nog een keer naar haar toe te sturen. Kwijt ben ik het uiteraard niet maar temidden van de onafzienbare stapels hier in huis kon ik de enveloppe niet meer vinden (begrijp het subtiele onderscheid!). Ook Lehmann blijft het lied spelen. Op de Uitmarkt van 1995 zingt hij het lied in een programma met zeemansliederen, een uitvoering waar wel een opname van is teruggevonden. En op 18 december 2002 voeren Mutsaers en Lehmann het stuk samen voor publiek op, tijdens een programma ter ere van Mutsaers’ zestigste verjaardag. In de Balie, in Amsterdam.  

 

Nu weet ik niet zoveel van pianorecitals, maar de Balie in Amsterdam lijkt mij een slechte plek voor het brengen van een antivisserslied annex gebed voor de Sterre der Zee. In een keurig debatcentrum zijn de zoute golven ver weg en de sterren niet te zien. Een lied ter bescherming van de vissen moet mijns inziens gebracht worden in de buurt van het huis van de vissen, in de buurt van de zee en het liefst in de openlucht. Ik zou willen voorstellen: het eiland Favignana.

 

Want in het boek Hazepeper wordt ‘Sterre der zee help de vissers om zeep’ geflankeerd door een Piëta die in plaats van een stervende Christus een grote vis op schoot heeft. En die Piëta ken ik! Zij staat in de haven van Favignana, ze houdt een jonge tonijn in haar armen en kijkt naar de zee. De bevolking van Favignana denkt dat ze dat doet omdat de Piëta over de vissers waakt wanneer ze uit vissen zijn. Maar ik weet (door Mutsaers) beter. De Piëta wacht op een kans om de vissers een harpoen in de zij te jagen, om hun bootjes tegen de rotsen te pletter te duwen. 

 

Aan de voet van dit beeld had Lehmann op een meegebracht kofferorgeltje zijn compositie moeten spelen. Aan de voet van dit beeld hadden Mutsaers en Lehmann samen moeten zingen.