De 100ste verjaardag van Marga Minco: dat iemand halverwege zo’n lang leven al zoveel achter de rug kan hebben

Op 31 maart wordt Marga Minco 101 jaar. Anne van den Dool bekeek vorig jaar ter ere van haar 100ste levensjaar foto’s van de schrijfster in het archief van het Literatuurmuseum. Op de kiekjes die werden gemaakt op haar 70ste verjaardag in 1990 zien we literaire grootheden als mensen: zittend op de bank met een bordje taart op schoot.

 

Marga Minco. Veel lezers, nauwelijks-lezers of zelfs niet-lezers zullen bij het horen van haar naam vooral denken aan de literatuurlijst van de middelbare school, waarop, naast klassiekers als Max Havelaar en Karel ende Elegast, haar Het bittere kruid regelmatig prijkte. Dat zal niet in de laatste plaats geweest zijn omdat het aantal pagina’s van dit oorlogsboek, van een Boekenweekgeschenkachtige dunte, nog onder de honderd duikt. Dit in tegenstelling tot de leeftijd van de schrijfster, die op 31 maart 2020 exact honderd kaarsjes mag uitblazen. 

 

Minco, geboren in het Bredase Ginneken als Sara Menco, was het derde kind van een Oldenzaalse vertegenwoordiger en een Groningse huismoeder. Haar vader was een religieus man; haar moeder temperde hem in zijn joods-orthodoxe nukken. Van haar oudere broer en zus leerde Marga voor de vrijheid te kiezen: haar vijf jaar oudere broer Dave keerde zich af van het geloof, haar één jaar oudere zus Betsie koos voor een studie aan de Tilburgse kunstacademie. 


Marga voelde zich evenmin aangetrokken tot het geloof; eerder ervoer ze het als een belemmering die maakte dat ze anders was dan andere kinderen – een positie waarin niemand zich in zijn jeugd graag geplaatst ziet. Zou het de literatuur zijn geweest die haar, eenmaal op de Nutsschool voor Meisjes in Breda, vrijheid verschafte? Het waren de boeken van Couperus, Slauerhoff en Nijhoff die haar daar lieten kennismaken met literatuur – die de afzondering van haar jeugd compenseerden met verhalen die haar de mogelijkheid gaven in gedachten naar andere plekken en tijden te reizen. 


Al die mentale uitstapjes hielpen haar bij de ontwikkeling van haar schrijftalent en in 1938 wist ze een baantje te vergaren bij de Bredase Courant. Onder het pseudoniem ‘Hus’ schreef ze film-, toneel- en literatuurrecensies. Daarnaast maakte ze stukjes over lokale gebeurtenissen en corrigeerde ze andermans werk. Dit duurde tot de dag na de Nederlandse capitulatie, toen zij vanwege haar joodse achtergrond werd ontslagen. Ze was de eerste journalist in Nederland die dit overkwam. 


Dit was nog maar het begin van wat de familie zou overkomen. Haar ouders, broer en zus werden gedeporteerd. Minco overleefde als enige door onder te duiken bij dichter en vertaler Bert Voeten (1918-1992), met wie ze direct na de oorlog zou trouwen. Van de naam die ze in de onderduik hanteerde – Marga Faes – behield ze de voornaam; het laatste deel van haar pseudoniem was een terugkeer naar de oorspronkelijke schrijfwijze van haar achternaam, die door een ambtenaar ooit abusievelijk was verbasterd.


 

Marga Minco in de huiskamer op haar onderduikadres, circa 1943

 

 

Na de oorlog zette Minco haar werk als journalist dapper voort. Daarnaast maakte ze een start met haar literaire carrière; in 1957 debuteerde ze met Het bittere kruid, waarin ze in gefictionaliseerde vorm haar ervaringen gedurende de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het sobere boek werd een doorslaand succes, dat ze qua verkoopcijfers met geen van haar bijna dertig volgende boeken nog zou overtreffen. Wel ontving zij voor haar gehele oeuvre de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooft-prijs

 

 

Schrijversverjaardag

 

In het archief van het Literatuurmuseum vinden we foto’s van Minco’s zeventigste verjaardag, waar menig klinkende literaire naam zijn gezicht liet zien. Zo zijn we er getuige van hoe Leo Vroman, een braaf bordje met fijngeprakte slagroomtaart op schoot, bedeesd de verhalen van een enthousiast gebarende Gerrit Kouwenaar aanhoort.

 

Beter beviel hem zo te zien het gesprek met Bernlef: de twee zijn samen lachend vastgelegd, op de achtergrond een vrolijke roze ballon. De foto’s ademen onherroepelijk de sfeer van de jaren negentig: onaantrekkelijke flitslichten zonder filter maken van de schrijvers nog meer mens. En dat terwijl we te maken hebben met grootheden: Vroman, Kouwenaar en  Bernlef namen alle drie  – net als de jarige – vroeg of laat de P.C. Hooft-prijs in ontvangst. 

 

 

V.l.n.r.: Paula Kouwenaar, Gerrit Kouwenaar, Leo Vroman en Bert Voeten op de 70ste verjaardag van Marga Minco in 1990

 

 

Minco zelf is op de foto’s niet te zien: wellicht staat ze achter de camera of snijdt ze achter onze rug om de taart in punten. In ieder geval geven deze foto’s ons een inkijkje in haar schrijversverjaardag, waarop ook de partners van de schrijvers aanwezig zijn. Leo wordt geflankeerd door zijn geliefde Tineke, Gerrit is in het gezelschap van zijn echtgenote Paula. Ook Bert mengt zich enthousiast in het gezelschap en poseert zonder terughoudendheid voor iedere foto. Van het beeld van de schrijver als zolderkamerbewoner zonder behoefte aan sociaal contact zien we op deze foto’s maar weinig terug. 

 

 

 

Veel van de destijdse gefotografeerden zijn inmiddels overleden. Haar man al in 1992, Kouwenaar en Vroman beiden in 2014. Het is de tragiek van oud worden. Als gevolg van de huidige omstandigheden zullen op haar honderdste verjaardag waarschijnlijk beduidend minder gezellige groepsfoto’s geschoten worden. Een kamer vol visite is niet eens toegestaan. Wel zal ze ongetwijfeld talloze felicitaties en loftuitingen ontvangen: gesproken door telefoons, geschreven op verjaardagskaarten, geroepen door het raam, wellicht. 


Hoe moet het voor een mens zijn – schrijver of geen schrijver – dat magische ronde getal te zien naderen? Daarna wacht geen enkel soortgelijk jubileum meer: iedere lustrum- of decenniumviering valt bij zo’n prestatie in het niet. Wordt het, hoe meer die wonderlijke leeftijd nadert, een streven die honderd te halen? Ontstaat de steeds koortsiger broeiende angst het net niet te redden?  En in hoeverre voelt het als een verdienste, aangezien we het leven zelf niet in de hand hebben? 


Het bijzonderst aan een mens dat honderd wordt, vind ik misschien nog wel de gedachte dat hij of zij ook honderd jaar geleden al bestond. Of nee, bijzonderder: dat een mens halverwege zo’n lang leven al zoveel achter de rug heeft. Dat we naar foto’s van Minco kunnen kijken uit de jaren zestig, waarop ze glunderend met Vijftiger Bert Schierbeek op de scooter zit en ook daar al een meer dan volledig en af mens is, met haar helm op haar hoofd, haar zonnebril op en haar bloemetjesjurk aan. Een mens van in de veertig dat al een leven geleefd heeft en nog niet weet wat wij – en zijzelf – nu wel weten: dat ze nóg een leven voor zich had. 

 

 

Met Bert Schierbeek in Bergen, mei 1961

 

Bergen, augustus 1964

 

 

Alle foto’s zijn afkomstig uit de collectie van het Literatuurmuseum.