De huisknecht

door Laura van der Haar

Pestduivel, genie, provocateur, eenling, insect, gek. Zomaar even een greep uit hoe hij genoemd werd (buiten vertaler, copywriter, arbeider, toneelschrijver, huisknecht, prozaïst en dichter, wat hij ook was).

 

De eerste keer dat ik van Jan Arends hoorde was vijf jaar geleden. Twee vrienden zaten in de kroeg met bruin bier in brede bolglazen; er stond een asbak op tafel dus het was diep in de nacht, ná inspecteurswerktijden. Of ergens met de gordijntjes dicht, dat weet ik niet, want ik was er niet bij. Ik kreeg alleen de polaroidfoto te zien.

 

Wie er wel bij waren: drie mensen die ik niet kende, onder wie Jan Arends de pestduivel (uitgever Geert Lubberhuizen moest ooit een geheim nummer nemen omdat Arends hem ’s nachts bleef lastigvallen), de eenling (‘om pijn te schrijven heb je weinig woorden nodig’), de dichter (‘wat ik je wilde zeggen is dat één appel op een zilveren schaal veel meer indruk maakt dan een schip met fruit op de veiling’), de arbeider (‘ik kan alleen maar schrijven, of huisknecht zijn’), de huisknecht (‘zoals een ander homoseksueel is, ben ik huisknecht’).

 

 

Of eigenlijk was het nummer 15 van De Engelbewaarder dat bij mijn vrienden was aangeschoven, met op de cover Jan Arends, close-up en zwart-wit. Plaats van tijd en handeling: Amsterdam ‘met zijn grachten, bomen en donkere plekken. De rijke herenhuizen en de kleine, tochtige zolderkamertjes. Het oude Amsterdam met de rode lampjes, de café’s, de koffiehuizen, de broodjeswinkels. Het Amsterdam van de eenzame kantoorbediendes.’

 

In die stad van de eenzame kantoorbediendes was een ereplaatsje ingeruimd voor de man die haar ooit zo beschreef: er stond een rood windlicht op de houten tafel, rond dat windlicht lagen doordrenkte bierviltjes en tegen de bloempot met daarin een vetplant prijkte nummer 15 van De Engelbewaarder.

 

‘Wanneer er niet om hem gelachen werd, wanneer hij afgunst voelde of niet in het centrum van de aandacht stond, kreeg zijn gehoor de volle lading,’ schrijft Pieter van Os in De Groene Amsterdammer (2003).

In 2013, ruim veertig jaar na zijn dood, is de stad er nog steeds een van cafés, koffiehuizen en broodjeswinkels en staat Jan Arends nog steeds in het centrum van de aandacht of in ieder geval in het centrum van de tafel met daaraan mijn vrienden die pas na zijn dood geboren zouden worden (en een vetplant).

 

Terwijl ik er niet eens bij was, kreeg ik dankzij die polaroidfoto toch vreselijk heimwee naar die avond; polaroidfoto’s hebben een soort heimweefilter waardoor je nog bijna voor je te zien krijgt wat er op dat witte filmpapier verschijnt al wenste dat je erbij was. Zelfs al zát je er al die tijd gewoon. Of andersom: de glanzende film en de ontwikkelaar en het zilverzout boetseren samen een moment waar je met heimwee naar terugkijkt, zelfs als je er zelf niet eens was. Fomo met terugwerkende kracht of zoiets.


Je kan heimweh hebben naar een land - een kleur - een vorm - je kan heimweh hebben naar een toon. Naar wat komen gaat kan je heimweh hebben. Alleen wordt het dan hoop genaamd. En hoop is voor de zwakken. Dat schrijft Jan Arends in een lange brief aan zijn behandelend psychiater.

Ik moet

spaarzaam zijn.

 

Ik moet

voldoende handen

opzij leggen

voor het graven

van mijn graf.

 

Ik wil

dat er bloemen op bloeien

die er

in het leven

niet zijn.

 

Ik wil

ook wel horen

hoe de mensen

lachen

als ik dood ben.

 

 

 

Let vooral op de laatste alinea van dit openingsgedicht uit Nagelaten gedichten (1975), waarvan de drukproef met opmerkingen van de samensteller (Remco Campert) ook in het archief van het Literatuurmuseum zit. Iets dieper in die zuurvrije doos zit namelijk een aantekening van mevrouw Bomans, de vrouw van de broer van Godfried, jeweetwel.

 

Mevrouw Bomans was lid van dezelfde Vereniging van Letterkundigen als Jan Arends en op een van hun verenigingsbijeenkomsten kwam er iemand te laat binnen: Jan Arends. Een gelach steeg op bij zijn wat slungelachtige verschijning. Daarop verliet Arends meteen weer de zaal. Mw Bomans heeft de indruk dat hij zich duidelijk uitgelachen voelde, er was geen andere aanleiding voor het gelach. Enige tijd later pleegde hij zelfmoord.

 

Op de dag dat zijn bundel Lunchpauzegedichten verscheen, sprong Jan Arends om acht uur ’s avonds uit het raam van zijn huis. Hij woonde aan het Roelof Hartplein, op de vijfde verdieping.

 

‘Wat ik wil is praten met een ander. Dat lukt niet. Je kunt net zo goed van het dak springen.’ Dat schreef hij een aantal dagen eerder aan Rudy Kousbroek.

 

 

‘Teplettervallen is een goede dood.’ Dat staat letterlijk in zijn Nagelaten gedichten. Kanker, verdrinken en zelfmoord trouwens ook. Alleen de dood die je te wachten staat is een slechte, valt te lezen in datzelfde gedicht.

 

Zijn as werd ‘ambsthalve verstrooid’. Dat betekent dat er niet één vriend of familielid was om dat te doen.