De weg naar vergetelheid

door Yannick Dangre
Alle wegen leiden naar vergetelheid. Het is een tragische wet voor bijna alle schrijvers, en dan nemen sommigen nog onbedoeld het binnenpad ook. Zo zal de naam van schrijver, dichter, toneelauteur en essayist Bert Schierbeek bij de jonge garde nog weinig belletjes doen rinkelen. Deze literaire duizendpoot en virtuele eeuwling (op 28 juni zou hij honderd geworden zijn) was poëtisch de mindere van titanen als Claus en Lucebert, en op prozavlak viel natuurlijk niet te ontkomen aan de slagschaduw van de Grote Drie. Niettemin pende Schierbeek een uit de kluiten gewassen oeuvre bijeen, waarvoor hij onder andere de Constantijn Huygensprijs kreeg – bezwaarlijk een literaire lilliputter te noemen dus.
Bert Schierbeek in 1953

 

Waarom is hij dan zo snel vergeten? Wel, hij had één belangrijke eigenschap die de vergetelheid stevig bevordert: hij was een ‘experimenteel’ schrijver. Nu haak ik, net als u, normaal gezien onmiddellijk af bij het horen van die literaire banvloek (meestal synoniem met ‘onleesbaar’), maar wacht nog even met wegklikken. Literatuur is immers een van de laatste domeinen waarin altijd wat te (her)ontdekken valt, en zo vond ik in het Literatuurmuseum een juweeltje, met name het manuscript van de allereerste experimentele roman uit ons taalgebied: Het boek Ik (1951). Ik besloot er met frisse tegenzin mijn tanden in te zetten, gesterkt door de wetenschap dat dit pionierswerk van Schierbeek destijds meer dan vijftigduizend keer over de toonbank ging. Kortom, zo onleesbaar kon dat boek toch niet zijn?

 

Aanvankelijk leek dat een nogal optimistische insteek, maar na een pagina of tien werd ik tot mijn verbazing meegesleurd door de stroom van Het boek Ik. Hoewel Schierbeek voortdurend van de hak op de tak springt en de logica in zijn woordenvloed soms ver te zoeken lijkt, verwoordt hij het op zo’n manier dat je als lezer in de ban raakt.

 

Dat komt in de eerste plaats doordat Het boek Ik een erg persoonlijke litanie is. De ik-verteller baant zich schreeuwend en flemend, vloekend en zoekend, maar altijd recht voor z’n raap een weg naar de lezer. Nu eens lijkt hij een godgelijk wezen, dan weer is hij juist de twijfelende gelovige die zijn wanhoopskreten ten hemel richt, en bovenal is hij de geliefde die zijn eeuwige beminde bezingt. Meestal doet hij dat in obscure zinnen vol klankassociaties, die een haast Bijbels karakter hebben. Door Schierbeeks orakeltaal krijg je al snel het gevoel van een bezwering:

de kar over de velden door de mosterd, het karwei, de rogge en de kanarie … de kar der woestijn die wij schiepen en de zee niet ontzien, de zee ontziet ons niet … de zee heeft ons nooit ontzien, de dolle, de dollert… o thalatta, thalatta.

 

 

Net als bij de oud-Griekse orakels is een deel van de betekenis onvatbaar, wat Schierbeek nog eens aanzet door volstrekte nonsenswoorden als ‘paragranaal’ of neologismen als ‘plutojudomarxisten’ te fabriceren. Die ongrijpbaarheid is een doelbewuste strategie, want het gaat in de eerste plaats om het bezwerende effect, getuige ook de vele formules uit de Latijnse mis. Dat neemt niet weg dat er in die cryptische gezangen vaak prachtige, Lucebertachtige beelden te vinden zijn:

vele dromen cosmacosmotique van de Ene wo! wie! wah!
we slepen op onze lippen voort
we slepen deze meisjes op onze lippen voort
analytiek van het ene
het heimelijke hek O-over
o over mij het heimhek trekken
in de droom van het liggen o buik, o ik, o wij
ze hebben ons opengetrokken in de gewanden van ons hart

 

Omdat tweehonderd pagina’s van dit soort verzen natuurlijk een beetje van het goede te veel zou zijn, compenseert Schierbeek dit gelukkig met concrete prozascènes en vooral met veel humor. In de prozafragmenten stoot je op fraaie zinnen, die vaak het idee van het boek ondersteunen: ‘na iedere deur komt een andere en het verlangen is eindeloos’ en ‘God is dood en zijn dood zet zich voort in hen die verloren zijn op deze wereld’.

 

Deze verhevenheid relativeert Schierbeek echter onmiddellijk. Zo eindigt hij een geëxalteerde smeekbede droogkomisch met: ‘notre père qui est aux cieux, ik neem het allemaal au sérieux’. Ook het Frans, Engels, Duits en Latijn waarmee Schierbeek in zijn tekst strooit, hebben zo’n ironiserend effect. Sommige grapjes zijn daarbij zo flauw dat je niet anders kan dan grinniken: ‘Was there any mail? – No John, only female!’

Door middel van die litanie voert Schierbeek in Het boek Ik in de eerste plaats een zelfonderzoek. Hij wil erachter komen wat zijn ‘ik’ inhoudt.

 

Het antwoord op die vraag is even simpel als complex: álles. Bespiegelingen, klaagzangen, dialogen, leuzen, reclamepraatjes, songteksten, verschillende talen, zinvolle opmerkingen, betekenisloze associaties, ze volgen elkaar in een rotvaart op in dit boek, om de doodeenvoudige reden dat al die dingen ook in de menselijke geest omgaan. Schierbeeks wil de totaliteit van ons menszijn tonen. Dat doet hij onder meer door de voortdurende verandering van taal, register en zelfs typografie, alsof de tekst even gefragmenteerd moet zijn als wij. Op die manier doorbreekt hij ons logische denkpatroon, of beter gezegd, betrapt hij ons op het feit dat de werking van onze geest helemaal niet logisch ís – of heeft u alleen maar betekenisvolle gedachten? Ons ik blijkt een chaos, waar de ene keer structuur in zit en de andere keer weer niet.

 

Zo toont Schierbeek ons een even ontregelende als accurate dwarsdoorsnede van het ik, en daarvoor betrekt hij er ook de wereld en zelfs de hele geschiedenis bij, precies omdat die een wisselwerking met het ik aangaan.

Zo staat het boek vol beroemde, doelbewust verhaspelde citaten (‘to be is a question sir!’), converseert hij met literaire personages als Emma Bovary en Candide, komt de Tweede Wereldoorlog voortdurend om het hoekje kijken en voert hij een bonte stoet historische figuren op, van Montezuma over Napoleon tot Lao Tse. Op die manier wordt Het boek Ik een boek van alles over alles, gevat in een welluidende stream of consciousness. De toenmalige recensenten noemden dan ook vaak James Joyce in hun kritieken.

 

Toch is Schierbeek anders, leesbaarder ook. Het boek Ik is niet zozeer een intellectualistische literaire puzzel, als wel een heel menselijke, poëtische poging om het totale leven en bewustzijn te vatten. Zo’n poging is natuurlijk gedoemd te mislukken, maar dat beseft Schierbeek ook, getuige de humor en relativering van zijn eigen megalomane project.

 

Zo bleek die ‘allereerste experimentele roman’ zelfs voor deze literair eerder traditionele jongen een beklijvende leeservaring. Op het snijpunt van proza en poëzie, van sérieux en flauwe humor, van goddelijkheid en banaliteit, doet Het boek Ik wat het in zijn titel belooft: tonen wie ik ben. Een mens. Een minuscuul onderdeel van de wereld en de geschiedenis. Een weggetje naar de vergetelheid.