Debutantengeluk

door Sanneke van Hassel

In 1984 debuteert Hermine de Graaf met de verhalenbundel Een kaart, niet het gebied. Ze werkt dan nog als lerares Nederlands aan een college in Venray. De Graaf woont in Swolgen, een dorp in Noord-Limburg dat nu 1100 inwoners telt. Ik stel me voor hoe ze daar in alle rust haar debuut voltooit. Buiten is het stil, als ze een stukje wandelt komt ze op een verlaten akker, langs een bosbeek of bij een zandverstuiving.

De Graafs eerste verhalen spelen zich af in dorpen met uiterwaarden, bossen of kersenboomgaarden. De vrouwelijke hoofdpersonen zijn nog jong, tieners en twintigers die in kleine werelden verkeren waarin ze botsen met familie en vrienden. Het zijn onverschrokken types, die zwijnen loslaten en kersenpitten tegen ramen spugen, die weglopen, zichzelf verwonden en een spreeuw uit de lucht knallen.

In deze tien verhalen gaat het er vooral om wat er in de hoofden van haar personages gebeurt. Hun binnenwerelden worden verkend. De Graafs meisjes groeien op in rafelige gezinnen met afwezige moeders en halfbakken vaders. Ze denken associatief en lichtvoetig maar zijn tegelijk vaak diep verwond. De opbouw van de verhalen is fragmentarisch. Van ontmoetingen krijgt de lezer alleen momenten te zien. Grote levensfeiten komen terloops voorbij: als een meisje zwanger is,  moet je daar maar naar raden.


Het is K.L. Poll van literair tijdschrift Hollands Maandblad die haar verhalen naar Laurens van Krevelen, hoofdredacteur en directeur van uitgeverij Meulenhoff, stuurt. Op 7 februari 1983 schrijft Van Krevelen Hermine de Graaf een brief. Aanvankelijk, in de eerste regels, toont hij zich enthousiast: ‘Het geheel bevestigt mijn gevoel dat u iets heel eigens te zeggen hebt, en ik ben er zeker van dat u nog veel meer zult gaan zeggen.’


Vervolgens gaat het er minder zachtzinnig aan toe. Enkel de laatste twee verhalen kunnen zijn goedkeuring wegdragen. De andere vindt hij niet hecht genoeg, de personages en situaties noemt hij te uitgesponnen en ‘te opzettelijk geestig gemaakt’. Hij constateert ‘een neiging tot mooischrijverij (…) die erg stijfjes is en soms zelfs saai’. En ook stoort hij zich aan een overmatig gebruik van ‘jongerenspreektaal’ en aan ‘modieuze uitdrukkingen’. Over de zin ‘Niemand had een boodschap aan mijn gevoelens, mijn gedachten en aan daden.’, schrijft hij: ‘Dat is vreselijk om te lezen.’


Tegen het einde van de brief, geheel tegen mijn verwachting in (en misschien ook tegen die van De Graaf, destijds ), komt Van Krevelen toch met een aanbod op de proppen. Als de schrijfster ‘het beschrijvend “vulwerk”’ wil verwijderen en haar herziene manuscript uiterlijk 1 juni inlevert, kan haar debuut in de najaarsaanbieding, stelt hij monter voor.

Elf dagen later schrijft Hermine de Graaf een brief terug. Ze heeft de kritiek van Van Krevelen ter harte genomen en is begonnen met het herschrijven van haar verhalen. Maar niet zonder op te komen voor de denkwereld van haar meisjes: ‘Daar waar het lelijke en niet esthetische bewust bedoeld is door mij om de somtijds triviale psyche van de adolescent bloot te leggen, wil ik liever niets veranderen (…)’


Het moet haar van het hart dat ze hoopt dat zijn laatste alinea (waarin hij publicatie toezegt) niet als pleister op de wond bedoeld is: ‘“Als u een bundel nog niet ziet zitten,” zouden mijn heldinnen zeggen, “hoor ik dit liever luid en duidelijk van u.”’ Een prachtige zin waarin zowel de gevoeligheid als het lef doorschemeren die zo kenmerkend zijn voor haar werk.

 

De latere correspondentie tussen Laurens van Krevelen en Hermine de Graaf wijst op een precieze en liefdevolle samenwerking. Op debutantengeluk. Ze zoeken lang naar het juiste omslag. Ze filosoferen over de titel, ‘Is “Een kaart en niet het gebied” of “Een kaart, niet het gebied” niet boeiender omdat wat mensen denken over de ons omringende werkelijkheid, soms interessanter is dan de realiteit?’ (De Graaf in een brief van 1 augustus). Ze mag op de uitgeverij haar boek komen toelichten aan de vertegenwoordigers. En op 19 januari 1984 stuurt Van Krevelen haar een exemplaar van Een kaart, niet het gebied: ‘Inmiddels worden we natuurlijk weer benieuwd naar het werk waarmee je nu bezig bent.’

 

Juichende recensies volgen. Begin september zijn er 5737 exemplaren verkocht (meer dan van mijn vier keer herdrukte verhalenbundel Witte veder uit 2007). In maart 1985 ontvangt Hermine de Graaf de allereerste Geertjan Lubberhuizenprijs. De vijf heren van de jury noemen haar debuut in het rapport ‘on-Nederlands’. Ze prijzen de samenhang tussen haar verhalen en vergelijken haar met J.D. Salinger en Katherine Mansfield, onder meer om haar lichte toon en ‘schijnbaar achteloze taal’. Als een overwinning van zowel haar zinnen als van het eigenzinnige van haar meisjes, zo lees ik dat rapport.

 

Vier verhalenbundels en zes romans (waaronder in 1990 het veelgeprezen Stella Klein) volgen, de meisjes worden vrouwen, de lastige moeders en de kluwenachtige verhoudingen tussen de personages blijven. Ook zijn er diverse kleinere publicaties en schrijft De Graaf voor de krant over beeldende kunst. Ze is niet iemand die veel in de openbaarheid wenst te treden, maar reist wel begin jaren negentig met enige regelmaat naar Den Haag als bestuurslid van het Literatuurmuseum, twee termijnen lang – een klein feitje omdat schrijvers soms al te graag kluizenaarschap wordt aangewreven.

Hermine de Graaf in 1988. Foto: Foto Wolson


Vanaf halverwege de jaren negentig wordt het stiller rondom Hermine de Graaf. Ze woont dan al een tijdje in een ander, noordelijker dorp, het Drentse Buinen. Volgens de overlevering schrijft ze elke dag, van negen tot vijf. Bij Meulenhoff is ze inmiddels vertrokken, bij De Geus komt in 2002 de roman Mijn moeder en de duif: of hoe ik met schaatsen stopte uit, voorafgegaan door een kloeke bundeling van haar verhalen.

 

Is de afname van haar productie en de belangstelling voor haar werk te wijten aan de ernstige oogkwaal waarmee ze kampt, waardoor ze moeilijk kan schrijven of anderszins veel de wereld in kan gaan? Valt de opstandigheid van haar vrouwelijke personages niet langer in de smaak? Is haar werk te subtiel, suggestief en raadselachtig voor rond de eeuwwisseling?

 

Dit te onderzoeken is een ander verhaal, een dat waarschijnlijk moeilijk tot stand kan komen zonder haar man Ted de Graaf te spreken, die ze op haar vijftiende leerde kennen en die in 2013 haar overlijdensadvertentie in de krant laat zetten. Hermine is overleden na een  ‘felle en ongelijke strijd tegen haar ziekte’, schrijft hij. Ook citeert hij het befaamde ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan/ hinase hic anda thu wat unbidan we nu’ – volgens het Digitaal Vrouwenlexicon haar lievelingszin. Omdat ze zelf nooit een nest begonnen waren? Ach, wat – voer voor psychologen en biografen!

 

Voor nu geef ik het laatste woord aan de zestienjarige Vera, uit het titelverhaal van haar debuut. Die is verliefd op Vincent die getrouwd is met ‘een opgeverfde vrouw van om en bij de vijfentwintig jaar’. Als Vera hem haar borsten laat zien mag ze niet meer langskomen.

Maar dan ontmoet ze hem tijdens het schaatsen. In het zwaailicht van de pekelwagen waagt ze het te vragen hoe hij haar borsten vond.

 

‘Mooi,’ zegt hij ernstig.

(…) ik bal mijn vuisten die koud zijn. Het oranje licht zwenkt op mijn netvliezen… van links naar rechts en van rechts naar links. Even ben ik bang net als die haas uit mijn eigen verhaal te sodemieteren. ‘Whaam, uitgevloerd, langs de kant van de weg…’ De werkelijkheid is niet buiten, maar zie je, binnen in je kop, je vertelt jezelf verhalen die even echt zijn als kaarten. Ik ga zo huilen, ik voel het, ik wankel, val bijna.

Hij pakt me vast en trekt me aan mijn arm het verhaal weer in.

‘Niet doen!’ zegt hij en dat is aardig van hem.