Een heel artiestenleven, in zeven plakboeken door Speenhoff zelf gedocumenteerd

Mateloos populair is hij geweest, J.H. Speenhoff, de op 23 oktober 150 jaar geleden geboren dichter en zanger. Hij legde het zelf vast in zeven plakboeken. Een prachtig beeld van zijn leven en werk.

 

‘’t Is anders’ was de lijfspreuk van J.H. Speenhoff, wiens honderdvijftigste geboortedag we dezer dagen herdenken. Hij was vanaf omstreeks 1905 tot in de jaren dertig een gevierd ‘dichter-zanger’ (singer-songwriter zou je nu zeggen) én tekenaar. Daarna begon door oorzaken van allerlei aard zijn roem te tanen.

 

Jacobus Hendrikus Speenhoff werd op 23 oktober 1869 geboren in Kralingen, toen nog een zelfstandige gemeente. Maar wie in de aktes van de burgerlijke stand naar een kind met die naam gaat zoeken, zal niets vinden: pas bij het huwelijk van zijn ouders, Jacob Speenhoff en Magdalena de Jager, op 12 juli 1872, kreeg hij de achternaam van zijn vader. Bij die gelegenheid werd ook zijn het jaar daarvoor geboren zusje Maria Wienanda geëcht.

 

Speenhoff heeft hier zijn leven lang over gezwegen. Hij beweerde steevast dat hij in het door zijn overgrootvader in 1793 gekochte huis aan de Spaansche Kade in Rotterdam het levenslicht had aanschouwd. Hij zette de werkelijkheid overigens wel vaker naar zijn hand, als hem dat beter uitkwam. Het heeft zijn biograaf Alex de Haas de nodige moeite gekost Dichtung und Wahrheit te onderscheiden. Hij twijfelde er zelfs aan of het hem altijd gelukt is.

 

Twee pagina’s uit een van de plakboeken, met onder meer een ‘Nieuwjaarswensch 1916’. (Collectie Literatuurmuseum)

Zijn jeugd bracht Speenhoff door in Krimpen aan de Lek, waar zijn vader een fabriek was begonnen. Hij ging naar de zogenaamde ‘Franse school’ in Lekkerkerk, en vervolgens naar de hbs in Rotterdam. Na zijn eindexamen nam hij dienst bij de marine, hij was toen 17 jaar. ‘Wegens ongeschiktheid ten gevolge van gebreken’ werd hij na drie jaar eervol ontslagen. Hij was in die periode opgeklommen van ‘machinist-leerling der tweede klasse’ tot ‘geëxamineerd machinist-leerling der eerste klasse’.

Op zijn twintigste was Speenhoff dus werkeloos. Gelukkig kon hij in het bedrijf van zijn vader aan de slag als vertegenwoordiger voor het buitenland. Hij heeft dit drie jaar volgehouden, maar toen had hij er de buik van vol. Hij verliet definitief het ouderlijk huis en ging in Rotterdam wonen, waar hij in aanraking kwam met jonge kunstenaars uit verschillende disciplines: schrijvers, dichters, schilders en acteurs. Hij probeerde in zijn onderhoud te voorzien door het schrijven van verhalen en het maken van illustraties (gagstrips en karikaturen) die hij sleet aan diverse blaadjes. Die waren vaak noodlijdend en betaalden slecht (of helemaal niet), zodat het geen vetpot was. Hij had het geluk dat hij kennismaakte met de ruim zeven jaar jongere aankomend kunstschilder Kees van Dongen in wiens atelier hij enige tijd gratis onderdak had.

 

Advertentie voor een voorstelling in het Amsterdamse Odeon. (Collectie Literatuurmuseum)

Al tijdens zijn diensttijd bij de marine schreef Speenhoff liedjes die hij met succes ook zelf in kleine kring zong. In december 1902 trad hij voor het eerst voor een groter publiek op in het gezelschap Het Vrije Toneel in de Tivoli-schouwburg in Rotterdam. Dit debuut werd zeer welwillend besproken en drie maanden later stond zijn naam met kapitalen in een advertentie voor een voorstelling in het Amsterdamse Odeon.

Uit deze periode dateert vermoedelijk het eerste van de zeven plakboeken die zich in de collectie van het Literatuurmuseum bevinden. Op de binnenzijde van de band staat een aantekening van Speenhoffs hand: ‘Dit oude boek werd in 1930 herbonden door een mijner drukkertjes te Padang Sumatra’.

Op de eerste bladzijde staat de tekst van De broek van Jantje, een van Speenhoffs oudste liedjes:

 

Er was eens een haveloos ventje

Die vroeg aan z’n moeder ’n broek

Maar moeder verdiende geen centje

En vader was wekenlang zoek

Ach moedertje geef me geen standje

Er zit in m’n broekje ’n scheur

De jongens op school roepen Jantje

Jou beentjes die zien we er deur

Het is een gekuiste versie van het eerste couplet, want oorspronkelijk luidde de laatste regel: ‘Jou billen die zien we er deur’. In het derde couplet is de zesde regel: ‘Vervloekt en verwenscht door d’r man’ op het laatste woord na met potlood doorgehaald en vervangen door ‘Betreurt [sic] door haar kind en haar man’. Dit moet een wijziging van veel later datum zijn, want in de mij bekende gedrukte versies heb ik hem niet aangetroffen.

Onder aan de pagina staat: ‘Gegeven van Henri Hartog helaas te vroeg overleden schrijver van Sjofelen’. De Schiedamse auteur Henri Hartog was een leeftijdgenoot van Speenhoff die hij in Rotterdam had leren kennen. Hartog overleed, 34 jaar oud, in 1904. Na zijn dood verscheen Sjofelen, een bundel met verhalen en een onvoltooide roman die spelen in de allerarmste lagen van de maatschappij.

De plakboeken van Speenhoff bevatten behalve handgeschreven teksten van alles en nog wat: krantenknipsels, brieven, foto’s, menu’s, rekeningen et cetera. Als je ze doorbladert krijg je een prachtig beeld van zijn leven en werk. Er blijkt uit hoe mateloos populair hij geweest is, met name aan het begin van zijn carrière. Zijn beste en bekendste liedjes dateren ook uit die tijd. Maar ook in zijn latere jaren had hij een goed gevoel voor ontwikkelingen in de wereld, getuige een vermoedelijk in 1929 geschreven lied als Pogrom, te vinden in het vierde boek:

 

Moet de wereldvrede komen

Met een vuige Jodenmoord

Moet de wrok der laffe honden

Weer in Jodenbloed gesmoord

Wordt die schone Christenvrede

Voor de Joden weer een Hel

Is er dan geen recht en leven

Voor het volk van Israël?

Onder het laatste couplet van deze felle aanklacht is een nota geplakt voor een japon, gedateerd 20 maart 1930, van damesmodemagazijn De Pompadour uit Noordwijk…

 

Het gedicht ‘Pogrom’ in het vierde plakboek. (Collectie Literatuurmuseum)

De plakboeken lijken ook te zijn gebruikt voor optredens. Bij het begin van diverse liederen staat met rood potlood genoteerd in welke toonsoort ze gespeeld moesten worden en hier en daar staat naast de tekst een korte toelichting. Speenhoff begeleidde zichzelf op de gitaar die volgens getuigenis van tijdgenoten altijd lichtelijk ontstemd was.

Achter in het zevende plakboek zit een brief die het verhaal ontkracht dat Speenhoff nimmer een literaire onderscheiding heeft gekregen. Uit die brief blijkt namelijk dat hij voor zijn samen met de Rotterdamse gemeenteambtenaar Albert van Waasdijk (1878–1943) geschreven toneelstuk Maskers en wijn in 1922 de eerste prijs had gewonnen in de Prijskamp voor Tooneelletterkunde van Antwerpen. De 1.000 frank moesten ze delen.

 

Het bewijs dat Speenhoff ten minste éénmaal een literaire onderscheiding heeft gekregen. (Collectie Literatuurmuseum)

In oktober 1940 verscheen De beste gedichten van J.H. Speenhoff, een door zijn vriend en bewonderaar J. Greshoff samengestelde bloemlezing uit zijn werk. Het boek werd na de oorlog enkele malen herdrukt, voor het laatst in 1980, met een inleiding van Willem Wilmink. Die schreef: ‘Sommige gedichten van Speenhoff zijn terecht klassiek geworden.’ Het zou mooi zijn als er een uitgever was die naar aanleiding van Speenhoffs honderdvijftigste geboortedag een kenner de opdracht zou geven een nieuwe keuze te maken.

De laatste jaren van zijn leven woonde Speenhoff in een villa op Scheveningen. Vanwege de aanleg van de Atlantikwall moest hij daar weg en verhuisde hij naar het Bezuidenhout. Op 3 maart 1945 was hij een van de ruim 550 slachtoffers die omkwamen bij het bombardement van de geallieerden dat was bedoeld om de lanceerinstallatie van de V2’s in het Haagse Bos uit te schakelen.

 

J.H. Speenhoff voor zijn villa op Scheveningen. (Collectie Literatuurmuseum)