Hanna Bervoets over Anna Blaman: ‘Zij koos jou en jij zei ja’

Tussen 1948 en 1950 onderhield Anna Blaman een affaire met collega-schrijfster Marie-Louise Doudart de la Grée. Hanna Bervoets liet zich door hun intieme correspondentie inspireren tot een drietal stukken: scènes uit een informeel huwelijk.

 

Met jouw steun kan het museum nieuwe online exposities blijven realiseren

Steun ons

Anna Blaman (1905-1960) wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van haar generatie. In 1957 ontving zij de P.C. Hooft-prijs voor haar verhalend proza, haar bekendste roman is nog altijd Eenzaam avontuur (1948). Het boek werd zowel bejubeld als verguisd: vooral de katholieke pers sprak schande van de vele erotische lesbische passages. Blaman baseerde Eenzaam avontuur op haar verhouding met Alie (‘Alide’) Bosch. Hoewel Bosch uiteindelijk koos voor een relatie met een man, bleef Anna haar beschouwen als ‘vriendin voor het leven’.

 

Tussen 1948 en 1950 onderhield Anna Blaman een affaire met de schrijfster Marie-Louise Doudart de la Grée. De twee schreven elkaar tientallen brieven, over literatuur, schrijversvrienden, alledaagse bezigheden – maar toch vooral over de liefde. Hanna Bervoets gebruikte deze correspondentie in 2016 voor een drietal stukken: scènes uit een informeel huwelijk. Lees ze hier allemaal.

 

 


 

 

Deel 1: 1948 – De heenweg

 

 

Haar boeken zijn slecht – althans, wat je ervan hebt gelezen. Haar brieven neigen soms naar het pathetische. En ze is mooi, jazeker, maar heeft ze ook iets te vertellen? Je vindt het belangrijk dat een vrouw iets te vertellen heeft. Of, nu ja, je ziet jezelf graag als een vrouw die het belangrijk vindt dat een vrouw iets te vertellen heeft.

 

Je kijkt naar buiten, er schieten wat koeien voorbij. Je zit nog zeker een uur in deze trein, het is een lange rit van Rotterdam naar Zeist.

 

De dame tegenover je slaat een boek open. Je blikt, tersluiks: Vestdijk kijkt je ernstig aan. O, dat veel te plechtige portret – je hebt hem er wel eens mee geplaagd. Morgen zal je Simon weer eens bellen. Je zal hem zeggen dat hij je vandaag impertinent heeft aangestaard. En straks, in Zeist, zal je Marie-Louise hetzelfde vertellen, en erbij zeggen dat jij en Simon elkaar kennen – of klinkt dat al te koket?

 

Ze vond het ook koket dat je haar de bespreking van Eenzaam Avontuur stuurde. ‘Wat een ijdele geste’, schreef ze je. Maar het tonen van die recensie was geen ijdelheid, heb je haar uitgelegd. Ik stuurde je dat knipsel om het portret, in de hoop dat dat jou op de gedachte zou brengen mij een portret van jezelf te sturen – vooruit, misschien was het ijdelheid, maar behoren ijdele gestes niet tot het toegestane arsenaal in de verleidingsstrijd? Charme, schoonheid, koketterie: de knuppels die we oppakken voor de verovering; Marie-Louise zal bovendien niet minder ijdel zijn, ze heeft je nota bene met foto’s beschóten!

 

Goed, jij vroeg haar om een kiekje. Maar ze stuurde meteen een hele envelop vol prenten en polaroids: ‘Kies er één uit, de rest geef je me terug wanneer we elkaar zien.’

 

Ze zitten in je handtas nu, de foto’s. Je kunt de afbeeldingen dromen. Marie-Louise in een polo (draagt ze die vaak?), Marie-Louise op een bospad (bij haar woonplaats?), Marie-Louise op een boot (van haar echtgenoot?), Marie-Louise op een motor (rijdt ze die?) – o ja, deze vrouw kent haar poses. Op iedere foto lacht ze de camera in, een tikje spottend, alsof ze bij het opzitten al aan jou dacht: ja Anna, dit ben ik dan, vind je me niet bijzonder knap?

 

Zij is mooier dan jij.

 

Maar jij bent een betere schrijver.

 

‘Ik lees Vrouw en Vriend,’ schreef ze in haar eerste brief, nu krap een maand geleden. ‘Wat is het goed. Ik zou willen praten. Samen. Hier in mijn kamer tegenover elkaar.’

 

Ken je haar? schreef jij daarop je goede vriendin Emmy. Ze heeft een boek geschreven over van Meegeren (formidabel slecht) en een lesbische roman (ook slecht). Begrijp goed dat ik haar nooit gezien heb; vind je ’t niet ongelooflijk zot?

 

Marie-Louise heeft Vrouw en vriend dus gelezen. Dat betekent dat zij jou beter kent dan jij haar – je bent er nog niet over uit wie van jullie twee dat een voorsprong verschaft.

 

Ze moet foto’s van je hebben gezien. Ze wéét dus op welke prooi ze schiet – o, wat is de jacht toch eigenlijk een armoedige metafoor waar het de liefde aangaat; beeldspraak die Marie-Louise vast graag zelf gebruikt in die lesbische lectuur van haar, al is het natuurlijk alleraardigst dat een vrouw als zij zich daaraan waagt; hemel, waar ben je toch mee bezig, Anna?

 

Je brieven en je parfum houden mijn gedachten op je gericht, schreef je haar eergisteren. Als ik ’s nachts in bed lig te lezen denk ik vaak dat je me magisch omhelst. Doe je dat? Dat mag wel, maar toch voel ik meer voor óf niet óf werkelijk.

 

 

Marie-Louise houdt er, natuurlijk, meerdere minnaressen op na. Wie zegt dat het haar niet slechts om het vrijen gaat?

 

 

Gelogen is het allemaal niet. Maar je hebt haar nooit geroken, gevoeld, gezien – wie weet heeft ze een vreselijke stem, haar intonatie opgewonden als de toon die ze soms in haar brieven aanslaat. En wie weet is ze dom. In een epistel heeft men de tijd zijn zinnen scherp te formuleren, toch drukt ze zich zo nu en dan zo ongelukkig uit, in clichés haast: ‘mijn hart klopt bij de gedachte aan onze eerste afspraak’ – het zou een Sinterklaasrijmpje niet misstaan.

 

Je kijkt opnieuw uit het raam. Weilanden gaan over in beton, , je bent er nu bijna; Marie-Louise houdt er, natuurlijk, meerdere minnaressen op na. Wie zegt dat het haar niet slechts om het vrijen gaat? Niet dat je dat nu zo vreselijk zou vinden. Je sluit niet uit dat het jou óók slechts om het vrijen gaat.

 

Alide liet zich nauwelijks beminnen.

 

En het kan natuurlijk dat Marie-Louise na vanavond nooit meer iets van zich laat horen, haar minnaressen en vrienden ondertussen en masse verwittigend: nou, raad eens wie er vannacht naast me lag, het was Anna Blaman, Anna Blaman van die mooie bespreking in Vrij Nederland ja, ze heeft me overal aangeraakt, zat vanochtend nog op die stoel waar jij nu naast staat… Sommige mensen verzamelen prominente kennissen zoals anderen dode vlinders op een kussentje prikken – je zou het Marie-Louise niet kwalijk nemen, groot gelijk heeft ze met jou te willen pochen.

 

Want ja, zij is mooier.

 

Maar jij bent een betere schrijver.

 

En jij, Anna Blaman, reist nu in je mooiste jas naar Zeist, voor een gooi naar liefde, genegenheid, of toch in ieder geval de warmte van een ander lijf. 

 

 

 

Brieven van Anna Blaman aan Marie-Louise Doudart de la Grée uit december 1948

 

 

 

Deel 2: 1949 – Het land van de liefde

 

 

Je opent je ogen. Eerst de desoriëntatie, dan de vragen. Wie ben ik, waar ben ik, waarom ben ik hier?

 

Jij bent Anna. Je bent in het huis van Marie-Louise, je ligt in haar bed. En jullie slapen, althans, zij slaapt, jij bent, om de een of andere reden, aan het ontwaken.

 

Hoe laat zou het zijn? Je knijpt met je ogen, kan maar moeilijk wennen aan het donker. Marie-Louise ligt opgekruld van je afgedraaid; ze slaapt nu eenmaal minder fijn met jouw arm om haar.

 

Je hebt me het land van de liefde binnengesmokkeld, schreef je haar na je vorige bezoek. Ik voel je in mijn buik en in mijn hart en kan me niet anders voorstellen dan dat alle mannen en vrouwen die ogen bezitten elkaars rivalen moeten zijn ten opzichte van jou. Je hart is als een hoogtezon die warmte in me straalt, en in drie dagen zoveel als een gewoon sterveling in heel een zomer nog niet ontvangt.

 

Het is zo vreselijk gemeend maar je weet ook: zij koos jou.

 

Zij koos jou en jij zei ja. In die zin heeft jullie verbond wel wat weg van een uithuwelijking– niet door je vader, maar door jezelf: hier, Anna, een wijfje, deze is voor jou, nu niet verder zoeken hè? Nu valt de uithuwelijking op zijn zachtst gezegd bijzonder geslaagd te noemen. Maar wat anderen gedragen ‘het lot’ dopen is in wezen slechts willekeur; de liefde is willekeur, en dat maakt haar misschien des te verraderlijker – men kan zich zo moeilijk verweren jegens wat hij niet zag aankomen.

 

Dus draag je een servet met haar parfum in de borstzak van je mantelpak. Buig je elke conversatie naar háár om (‘Marie-Louise zei laatst…’). Hoop je, wanneer je weer eens in de krant staat, dat zij die dag die krant openslaat. En schrijf je haar, iedere dag, op sommige dagen zelfs tweemaal, over de mensen die je sprak, de voorstellingen die je zag, hoe de tuin van de buren erbij lag: alleen schrijven kan jouw verlangen tijdelijk temperen. Want schrijven is niet alleen aan haar denken, het is haar ook even vasthouden: met elke letter schenk jij jezelf een brokje van haar tijd, of moet het zijn: met elke letter dwing jij haar jou een brokje van haar tijd te schenken? – hoe het ook zij: alleen wanneer je haar schrijft weet je je ervan verzekerd dat jouw aandacht voor haar zal worden terugbetaald in gedachten aan jou – wat is de liefde anders dan de neiging constant quitte te willen spelen?

 

Je strekt je arm uit. En je raakt, met je wijsvinger, voorzichtig haar naakte rug aan. Marie-Louise blijft roerloos liggen.

 

O, je weet heus wel dat die vrouw naast je niet bestaat.

 

 

 

 

 

De vrouw naast je is de vrouw van wie je houdt. Maar wanneer we een ander beminnen, dan beminnen we slechts ons eigen beeld van die ander. Jij bemint dat humorvolle, ijdele, sensuele, heerlijke wijfje dat je van haar gemaakt hebt, zoals zij voor haar schepping van jou gevallen is. Zaak is nu dat zij niet te zeer schrikt wanneer dat beeld straks wat barst, dus waarschuwde je haar maar alvast: Hoe vaak zal het in jou niet zo geweest zijn dat je de liefde liefhad terwijl je dacht dat het je geliefde was? Je geloofde in jezelf en ook in de ander, want dat moet. Maar op een gegeven ogenblik dringt zich onvermijdelijk een andere, ontluisterende, visie op de geliefde aan je op, en dan stort je liefdesluchtkasteel in de afgrond. Het is natuurlijk nooit uitgesloten dat er een vleugel, of maar één vertrek of zelfs maar een heel klein bijna waardeloos rommelkamertje instort van het droomkasteel dat je in korte tijd voor ons samen hebt opgetrokken. Maar een hoop troosteloos puin in een afgrond kan het nooit worden…

 

Dat laatste was misschien grootspraak. Onvermijdelijk of niet, je zou het vrij akelig vinden als ook maar de kleinste bijkeuken op korte termijn zou instorten. En toch, of misschien juist wel daarom, zei je haar: Ik zet me helemaal in in onze liefde en ik blijf er tevens beschouwend tegenover staan.

 

 

‘Ik zal van je houden als een wolf zo gulzig, als een lam zo zachtmoedig, als een hond zo trouw, als een mier zo ijverig, als een mens zo vertederd’

 

 

Nee, het moet nu niet weer worden zoals toen, met Alide. Toen zij je verliet, verráádde, voelde je je in je hemd in de ijskoude Noordpool gezet: de prijs voor volledige overgave. Dit keer wil ik liefhebben zonder dat die liefde aanleiding hoeft te geven tot de meest negatieve bewustzijnsvernauwingen. Maar: hoe doet men dat?
 

Ik zal van je houden als een wolf zo gulzig, als een lam zo zachtmoedig, als een hond zo trouw, als een mier zo ijverig, als een mens zo vertederd.

 

‘Marie?’

 

Jij engel van me, mijn hart. Ik zou een dichter moeten zijn om je te kunnen uitleggen in ongezegde woorden die tussen de dichterlijk gezegde in liggen, hoe lief ik je had.

 

‘Marie, ben je wakker, ja?’

 

Schrijf me, schrijf me dat je ook van mij houdt!

 

Misschien kunnen jullie weer gaan varen vandaag.

 

Je houdt niet van varen, voelt je steeds weer ontheemd tussen de knopen en de zeilen en het stuurwiel: als een imker in een staalfabriek. Maar Marie… Hoe zij het dek op en af raast, fier de zeilen hijst, ondertussen nog altijd meisjesachtige gilletjes slaakt bij elk spetter die haar pantalon raakt: het maakt dat je haar bewondert en wilt beschermen tegelijk – is dat een symptoom van verliefdheid? Ja, verliefden zetten de ander op een voetstuk en plaatsen daaromheen meteen een afzetrekje, en wanneer je naar haar kijkt, naar haar reikt, naar die kalme, blanke rug van haar, weet je dat het te laat is. Het is gebeurd, je bent verloren omdat je verliezen gaat – alleen wie liefheeft kan immers kwijtraken – maar: niet vandaag. Zodra zij haar ogen opent, zul jij opstaan. Naar de bakker gaan. Om twee croissantjes en een flinke punt mokka vragen.

 

 

Anna Blaman aan Marie-Louise Doudart de la Grée, 9 januari 1949

 

 

 

 

 

Deel 3: 1950 – Koffie

 

 

‘O,’ zegt Marie-Louise. ‘O, dat wist ik niet.’

 

Ze kijkt je aan en je vraagt je af wat ze ziet.

 

Een van de genadige en verlossende tendenzen van de liefde is dat de geliefde, al is het nog zo’n lelijk kreng, mooi is in de ogen van degeen die haar liefheeft.

 

Eén keer, één keer maar, heeft Marie zich laten ontvallen dat ze je, waar het op uiterlijk aankomt, niet altijd even graag ziet. Het kwetste je – dit is heel ernstig – en je stelde voor wat afstand te nemen, waarop ze je terugschreef dat dat onzin was, dat ze toch zó, zó verschrikkelijk veel van je hield!

 

Maar nu ze vandaag zo futloos tegenover je zit, zuinig van haar koffie nipt, slechts afwezig knikt bij jouw verslag van Les Mains sales vrees je dat de blik van de liefde niet langer de hare is. Dat ze zich stoort aan jouw oreren, je misschien zelfs stilletjes betweterigheid verwijt. En, nog erger haast, dat ze je smalle lippen en je wat warrige haardos niet langer het aanzien waard vindt.

 

Het irriteert je. En dat is, misschien, oneerlijk. Want voor jou geldt het ook: haar geknik, die halfslachtig geveinsde interesse; het kan zijn dat je het ooit vertederend vond, nu komt het je vooral onnozel voor – heeft ze zelf niets in te brengen?

 

Hou je nog van me?

 

Zeg dat je me geestig vindt?

 

Denk je aan me?

 

Je hebt het haar de afgelopen maanden keer op keer gevraagd en zij antwoordde steeds weer bevestigend.

 

‘Ben je volledig de mijne?’

 

‘Ga je in me op?’

 

‘Denk je aan me?’

 

Zij heeft het jou de afgelopen maanden keer op keer gevraagd en jij antwoordde steeds weer bevestigend, zij het nooit zonder kanttekening.

 

Er zit iets prachtigs naïefs in in verbondenheid te willen leven – naïef omdat de mens een onoverzichtelijke steeds veranderende entiteit is. Voorzover ik een creatieve bestemming voel, zal ik nooit ondergeschikt raken aan een ander mens.

 

Jouw zogenaamde terughoudendheid heeft haar een paar keer flink boos gemaakt en dat neem je haar niet kwalijk. Het was woede uit angst; de woede van een hoen dat haar kuiken beschermt waar Marie’s kuiken haar hart was, ja.

 

Toch kon haar woede jou óók kwaad maken, daar haar verwijten zo’n banale, haast puberale liefdesopvatting verraadden.

 

Voor haar is liefde: overgave, volledig in de ander opgaan, het ik opgeven om als wij verder te kunnen leven.

 

Voor jou is liefde: de ander de ander laten, liefhebben zonder zelfstandigheid te verliezen, beminnen met behoud van eigenheid.

 

‘Je maakt van de weg gebruik maar weigert de tol te betalen,’ schreef Marie-Louise je daarom tegen Pasen.

 

 

‘De liefde’ bestaat niet, er bestaat alleen een verhouding tussen twee mensen en daarin moeten beiden afwachten wat er te geven en te verwachten is

 

 

Ze verpoosde toen in Montana, de afstand tussen jullie te groot om te telefoneren. Maar de aantijging was ernstig, dus besloot je haar weer te schrijven. Het is eerder andersom, jíj maakt van de weg gebruik zonder tol te betalen. Je tikt me elk ogenblik op de vingers omdat je je niet voldoende aandacht toegewijd denkt terwijl je zonder nadenken aanneemt dat jou die aandacht onder alle omstandigheden des levens ook volkomen toekomt. Maar mijn onbevangenheid tegenover heel het leven en mijn gevoel van verantwoordelijkheid tegenover mijn artistieke mogelijkheden sluiten niet liefde uit – maar sluiten wel uit een band met iemand die het bewijs van liefde zoekt in de frequentie van mijn bezoeken en mijn brieven, waarbij de kwaliteit van mijn aandacht niet schijnt te tellen. Je hebt geen ernst, geen diepte – je gebruikt grote woorden die je ternauwernood een legitieme inhoud kan geven. ‘De liefde’ bestaat niet, er bestaat alleen een verhouding tussen twee mensen en daarin moeten beiden afwachten wat er te geven en te verwachten is.

 

Hard, ja. Maar is hardheid niet een teken van waarachtigheid, en daarmee van betrokkenheid?

 

Wanneer zij je vraagt waarom je nog zo innig met Alide omgaat, zeg jij eerlijk dat je nog veel om die vrouw geeft. Wanneer zij een slechte novelle schrijft, vertel jij haar gewoon dat ze die beter niet kan insturen voor die wedstrijd. En wanneer zij jou vervolgens van kilheid beticht, neem jij graag de tijd jouw integriteit te verdedigen: liefde is dat je elkaar serieus neemt, en wie een ander serieus neemt moet haar alles kunnen zeggen, toch zeker?

 

Na ‘Montana’ kwam het overigens weer even goed, hoor. Zeker toen zij in het ziekenhuis lag met maagproblemen: de x’jes en liefje van me’s konden niet op in die weken. Maar inmiddels weet je dat die ene zin – de liefde bestaat niet – slopend en daarmee profetisch was; een waarheid die werkte als een traag gif dat zich inmiddels in al jullie omgang manifesteert.

 

‘En waren de acteurs een beetje goed?’ hoor je haar in de verte vragen.

 

‘Een beetje goed is niet bepaald een maatstaf.’

 

‘God, sorry dat ik het vroeg.’

 

Het zit hem in de korte antwoorden. In het een voor een opstaan zonder elkaar aan te raken. In het knikken maar niet luisteren, in het steeds maar naar futiele details vragen – de conversatie niet langer een uitwisseling van ideeën, laat staan een exercitie in affectie, jullie gesprekken nog slechts een aaneenrijging van onbenulligheden die de stilte moet maskeren, het ongemak moet parfumeren.

 

‘En toen?’

 

‘En toen wat?’

 

‘Hoe liep Les Mains sales af?’

 

‘Je weet niet hoe Les Mains sales afloopt?’

 

Marie-Louise kijkt je gepikeerd aan nu. Ze zal wel weer vinden dat je haar aanmatigend bejegent; dom vindt. Je vindt haar niet dom, ze ís niet dom, haar denken is alleen zo oppervlakkig soms, maar dat kun je haar niet aanmeten, zo is Marie-Louise nu eenmaal.

 

 

Daar zit hem het probleem, weet je nu; jullie temperamenten zijn simpelweg onverenigbaar. Jij een tragédienne, zij een operettester

 

 

We hebben evenveel gemeen als een diepgravende mol en een sierlijk aan de oppervlakte scherende zwaluw, schreef je Elly laatst nog. En daar zit hem het probleem, weet je nu; jullie temperamenten zijn simpelweg onverenigbaar. Jij een tragédienne, zij een operettester.

 

‘Hugo voelt zich door Olga verraden en kiest ervoor te worden vermoord,’ zeg je. En Marie schudt haar hoofd: ‘Jeetje, wat verdrietig zeg.’

 

Ze meent het, zie je. De vrouw tegenover je schudt nogmaals haar hoofd, denkt nu natuurlijk aan Olga en Hugo en schiet zowat vol. En plots, ja, plots heb je zin om die koppen koffie tussen jullie van tafel te vegen. Je naar dat prachtige, droeve wezen aan de overkant te buigen, haar in je armen te nemen, tegen je aan te drukken.

 

Een omhelzing is voor mij niet enkel het grijpbare grijpen, maar ook het ongrijpbare.

 

Je doet het niet. Je recht je rug en zegt: ‘Ja, het is heel verdrietig.’

 

 

Anna Blaman aan Marie-Louise Doudart de la Grée,17 juni 1949

 

 

 

Nawoord

 

Anna Blaman en Marie-Louise Doudart de la Grée beëindigden in april 1950 hun relatie. Na twee jaar van slechts sporadisch contact, hervatten zij hun vriendschap.

 

In 1955 werd Blaman getroffen door een hartaanval. Die zomer verbleef zij bij Marie-Louise om aan te sterken: ‘Ik heb het hier heerlijk,’ schreef Anna haar goede vriendin Emmy van Lokhorst: ‘Ik heb hier een zonnig bestaan in een paradijs van een tuin, Marie-Louise is erg goed voor me.’