Het feest van de almacht

door Sander Kok

Het masturbatiedagboek van Lodewijk van Deyssel. Dit is deel 3. De essays zijn ook afzonderlijk te lezen.

 

Voor Van Deyssel was het bijhouden van een masturbatiedagboek meer dan een wapen in de strijd tegen een machtige vijand, het was een manier om het gedrag van zijn lichaam en geest tot het diepst te doorgronden en te verbeteren. Het Van Deyssel-archief in het Literatuurmuseum bevat ook een slaapdagboek, een verkoudheidsdagboek en een weerdagboek, die de schrijver hetzelfde doel dienden.

Al in 1884, hij was toen twintig, stelt hij als een volleerde eenentwintigste-eeuwse volgeling van zelfhulpgoeroes een lijst met doelen op. Die is niet bescheiden. Binnen vier jaar zou hij eenentwintig romans publiceren en duizenden pagina’s aan kritiek, dagboek en kroniek. In de avonduren – want de genoemde arbeid vond alleen plaats in de namiddag – zou hij zich buigen over zijn studie rechten en zijn promotie in de letteren. De daaropvolgende vier jaar zou hij uitsluitend in de avonduren dertig toneelstukken, driehonderd sonnetten en tachtig novellen schrijven, en overdag zowel schilder, ingenieur als architect zijn. Vier jaar later zou hij president worden van Nederland, dat tegen die tijd een Republiek zou heten. Onbekend is of hij voor zichzelf een rol zag bij het omverwerpen van het koninkrijk.

 

Natuurlijk was de twintigjarige Tachtiger niet volledig serieus, maar het is duidelijk dat hij zin had om aan de slag te gaan. Hij zou zijn tijd niet verbeuzelen.

 

Het stalen skelet van zijn leven was de zelfdwang, de zelftucht. Van Deyssel dwong zijn lichaam tot kadaverdiscipline. Alles moest voor zijn obsessies wijken – een bekende schrijverskwaal. Niet rukken, maar ook: iedere ochtend vroeg opstaan. Voor Van Deyssel was dat vier uur ‘s nachts. In zijn slaapdagboek merkt hij eens chagrijnig op dat het weer niet is gelukt, ‘omdat mijn vrouw mij niet wekte’.

 

De vele korzeligheidjes vinden hun tegenwicht in euforie, wanneer iets wél lukt:

 

Hoera, ik gevoel mij zoo heerlijk en gelukkig als in geen tijden. Dit komt alleen door het volmaakte scheiten, dat ik gedaan heb.

Ik stelde de vraag al in het eerste artikel over dit onderwerp. Is die Van Deyssel een gek? Een vreemde vogel was hij zeker. Maar alle negentiende-eeuwse schrijvers waren gek. Ik ken geen biografieën waaruit het tegendeel blijkt. Ze lopen op 82-jarige leeftijd weg bij hun vrouw (Tolstoj), verschijnen op een feest in roze smoking (Couperus) of ontzeggen zichzelf orgasmes (Balzac, onder anderen). En het probleem van iemand een gek noemen, is dat het woord een hoop lijkt te verklaren, terwijl het juist een verklaring vervangt. Het stempel ‘gek’ verklaart niks. En die negentiende eeuw was zelf gek. Toch moet ik toegeven dat hoe verder ik in het dagboek doordrong, hoe meer ik begon te denken dat de schrijver wel degelijk, laat ik zeggen, gestoorde trekjes had.

Door de syfilis? – Had hij dat?

Kon hij het ook niet hebben? Een gezonde man had syfilis, in die tijd.

Of gewoon door het schrijven?

Schrijven is een gevaarlijke bezigheid, dat weet elke schrijver. 

Van Deyssel geloofde dat de ‘onanieoverwinning’ zou leiden tot een eeuwigdurende extase waarin al zijn wensen binnen handbereik zouden liggen. Een geestelijk gezond mens denkt zoiets niet, dat ligt althans niet voor de hand.

Voor de schrijver was masturbatie de enige barrière tussen hem en het feest van de almacht.

Lodewijk van Deyssel als God almachtig. Na een felle strijd eindelijk in de functie waarin hem alles is toegestaan, alles – alles behalve masturbatie.

De strijd en de overwinning, en daarna het paradijs.

Waaraan doet dat denken, behalve aan de christelijke heilsleer?

Heel in de verte?

Aan de twintigste-eeuwse heilstaten. En inderdaad: in 1941 zou Van Deyssel in een ‘Politieke belijdenis’ de Führer prijzen, ‘den schoonsten mensch, wiens tijdgenoot ik mag zijn’. Strijd, overwinning en paradijs doen denken aan het Duizendjarig Rijk, aan het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie en aan de boerenheilstaat in Cambodja, het doet denken aan de vastberaden ariër, de vastberaden arbeider, de vastberaden boer, die met toegeknepen ogen een toekomst aan de horizon aanschouwen waarin álles mogelijk is, zolang er maar eerst deze hobbel wordt genomen.

Soms is vastberadenheid een grote zonde.