Het landschap lezen

door Daan Cartens

Een aantal titels van dichter, romancier en essayist Willem van Toorn (1935) laat niets te raden over van één van diens grootste fascinaties, waarover hij onophoudelijk in tal van genres heeft geschreven: het landschap. Dat thema vat hij veel ruimer op dan het onderwerp natuur dat als een vaandel boven de afgelopen Boekenweek wapperde.

 

Of het nu om dichtbundels als Landschap voor een dode meneer, De aardse republiek, Dooltuin en Het stuwmeer gaat, of om romans als Een leeg landschap en De rivier, en zeker om essays als Leesbaar landschap en Het grote landschapsboek, steeds weer belijdt hij zijn liefde voor het door de tijd gevormde landschap even melancholiek als strijdlustig. Die hartstocht wordt zelfs een metafoor voor het schrijverschap. In het recent verschenen lange, verhalende gedicht De jongenskamer (2018) schrijft Van Toorn: ‘(...) iets maken uit het niets/ opdat het land waarin je leeft jouw landschap wordt.’

De bundel Zolang deze heuvels van aarde zijn – Ontmoetingen in Europa (2016) begint met een veelzeggende passage, waarin Van Toorn exact formuleert waar het hem om gaat:

Het landschap waarin een mens zijn leven doorbrengt is een van de meest fundamentele elementen die de waarde en waardigheid van zijn leven bepalen, direct na de allereerste levensbehoeften als voedsel en water, gezondheid, vrijheid en veiligheid – waarmee het overigens nauw verbonden is. Een landschap bestaat voor zijn bewoners behalve uit fysieke kenmerken uit een ongelooflijk complex weefsel van ervaringen, herinneringen, sporen, verhalen, kennis, tekens die hij nodig heeft om zijn weg erin te vinden, nieuwe ontdekkingen een plaats te geven, zijn keuzes voor de toekomst te kunnen funderen op lessen uit het verleden. Het landschap is de spiegel van het menselijk bestaan. Het is daarom van het grootste belang erover na te denken aan wie we de zorg ervoor toe te vertrouwen.

 

‘Morgen verbannen naar herinnering’, ofwel: hoe is die gegrepenheid voor dit onderwerp ontstaan? Het gezin Van Toorn woonde aanvankelijk in de Betuwe, in Tiel waar ook de oudere broers Jan en Rien werden geboren. Tijdens de crisisjaren verhuisden de ouders naar Amsterdam, waar in 1935 Willem als derde zoon werd geboren, vijf jaar voor de enige dochter Truus. De vader, die kleermaker was, dreef de eerste jaren een groentewinkel in Amsterdam-West, voordat hij zijn eigenlijke beroep weer kon uitoefenen. Hij werd een gerenommeerd kleermaker, die behalve voor particulieren ook de toga’s maakte voor de rechters van het Amsterdamse Hof.

 

Een belangrijk deel van zijn jeugd bracht Willem in de Betuwe door bij zijn grootmoeder, tantes, neefjes en nichtjes. Een onbekommerde tijd, waar grote barsten in vielen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, toen Tiel fors werd beschadigd. Het geliefde stadje en het landschap van Van Toorns jeugd waren een ruïne geworden, waar de achtergebleven familieleden, gebutst in hun ziel en troosteloos door verlies, voortaan de gezinsleden uit de hoofdstad moesten ontvangen.

‘Altijd weer de rivier.’ Herinneringen aan die oorlog, aan de tijd daarvoor en daarna, stromen samen in de veelgelaagde roman De rivier (1999), die ook in Duitsland verscheen en daar even enthousiast werd onthaald. In die roman koppelde Van Toorn zijn reflecties over vroeger aan de tegenwoordige tijd, waarin zijn ouders fysiek en psychisch aftakelden en uiteindelijk overleden. Die strijd om lijfsbehoud, om het leven vindt ook op maatschappelijk terrein plaats. Eind jaren tachtig begon in het landschap van Van Toorns jeugd de strijd om de dijkverzwaring.

‘Heren, het is hier geen openluchtmuseum,’ sprak de toenmalige minister van verkeer en waterstaat Neelie Kroes tegen de voorstanders van behoud van het unieke landschap. Een planoloog vroeg zich hardop af wat er nu zo bijzonder was aan dat rivierengebied. Het waren deze reacties die bij Van Toorn grote woede opwekten en niet bij hem alleen. De schilder Willem den Ouden, de ontwerper Gerrit Noordzij en politica Ria Beckers en vele anderen vond hij aan zijn zijde. Hij trommelde bevriende schrijvers zoals Bernlef, Leeflang, Faverey en Reints op voor luidruchtige en ludieke acties en manifestaties. Graag citeerde Van Toorn bij dergelijke gebeurtenissen Nescio: ‘God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als het kan een beetje hardhandig’.

 

Willem van Toorn (links) en Willem den Ouden (foto: Ineke Holzhaus)

 

Dat fysieke geweld kwam vooral van de zijde van de voorstanders van de totale sanering van het rivierengebied. Bewoners van de dijkhuizen werden gepest en belaagd. Op een zeker moment durfde Willem den Ouden, die tot op de dag van vandaag met Van Toorn bevriend is, amper nog buiten te komen. De acties, de pleidooien voor kamercommissies, de pamfletten en teksten, waarin Willem van Toorn zich niet onbetuigd liet, sorteerden uiteindelijk effect. De dijken werden verzwaard. Dat bleek eens te meer noodzakelijk bij de enorme dreiging van het hoge water in 1995, toen zelfs tot evacuatie van grote delen van Gelderland werd overgegaan. Maar die aanpak heeft op de meeste plaatsen geleid tot het zoveel mogelijk handhaven van de bestaande dijkwoningen, weiden en binnenmeertjes.

 

Wat blijft is de wisseling van de seizoenen, de meanderende rivier, het verschil tussen hoog en laag water, zoals door Van Toorn beschreven in een kort prozafragment  in de cyclus ‘De Waal’ uit de bundel De dooltuin (1995):

In het geheugen bestaat het landschap zoals de uiterwaard bij hoog water: onzichtbaar geworden maar aanwezig. De stenen van de krib, de initialen in de wilg, paden. Zichtbaar alleen de kruin, de driehoek van het baken. Blijven sloten bestaan onder water? Verlaat de snoek zijn bodemloze trechter voor verre strooptochten? Alles is er, maar onzichtbaar. Als het water daalt zien we het verband terug, bekend en toch nieuw. Voetpaden een fractie verschoven. De stoelen van de tafel.

 

In een onlangs door het Literatuurmuseum verworven typoscript Waar wij wonen (tekst van de elfde Groeneveldlezing, gehouden op 20 oktober 2010) ziet Willem van Toorn de tanende belangstelling voor de directe omgeving van individuen als een uiting van de toenemende globaliseringsdrift. Mensen hechten minder aan een vaste plek, zijn vaak onderweg, of vertoeven regelmatig op zogenaamde non-lieux, ‘niet-plekken’, zoals vertrekhallen van vliegvelden. ‘We zijn de ervaring van ons landschap kwijtgeraakt.’ Van Toorn vertelt hoe hij met een Chinese dichter over de dijken rijdt en hem uitlegt hoe de polder werkt. ‘That’s a good idea,’ zegt de Chinese collega. ‘En zo is het: het Nederlandse landschap is een idee. Bijna overal sta je in het weefsel van de ideeën, de gedachten van voorgangers.’ Dat wordt door Van Toorn als zeer troostrijk ervaren.

 

 

Een winterochtend aan de door Willem van Toorn zo vaak intens beschreven Waal. ‘Honderd keer liepen we hier op de dijk’. Bij Nijmegen, bij Varik, bij Tiel. De lucht is strak blauw. Met de kalme snelheid van zestig kilometer per uur varen grote vrachtboten over de drukstbevaren rivier van Europa. Koeien grazen langs de rivier. Vogelaars richten hun verrekijkers naar het zwerk. Uit de ramen van de dijkhuizen wapperen dekbedden. Ver, ver weg een windmolen, een torenhoog hotel, flatgebouwen. ‘Je was hier kind geweest’.

 

En na al die jaren blijft ‘aan het water van een rivier’ het landschap leesbaar, ‘dat merkwaardige mengsel van natuur en cultuur,’ zoals Van Toorn Jac.P. Thijsse citeert.  ‘Eeuwenlang zichzelf gelijk./ Morgen verbannen naar herinnering.’