Het vingerkootje uit de Golf van Biskaje

door Mohammed Benzakour

Denkend aan Marsman zie ik brede golven waarin hij traag door oneindige diepten neerdaalt, rijen ondenkbaar kleine visjes…

 

Kleine, kleurige visjes die nieuwsgierig toekijken als hij de laatste luchtbel uit z’n longen perst. Marsman had zich geen poëtischer graf kunnen voorstellen dan de oceaanbodem. Stel je voor, eerst rijten hongerige roofvissen je buik open, terwijl een scharlakenrood kleed zich uitspreidt in ’t eindeloze koningsblauw; af en toe knabbelt een voorbijwiegende pijlstaartrog aan je schouder en hersenen; kort erna rollen dikke zeewormen speels door je oogkassen en niet veel later rest van jou nog maar een karkas, een hoopje afgekloven ribben en wervels die langzaam wegzakken in een onmetelijke bodem waar zand en zout ze verder polijsten en uitbleken tot prachtige witgladde sculpturen en vormt zich op je schedel een sierkrans van goudbruine schelpjes die stille tochtjes maken van onderkaak naar jukbeen en en passant zoetgevooisde woorden in je oorschelp fluisteren.

Foto: C.J. van der Pol

 

Hij die als jonge knul ervan droomde stuurman te worden op een groot schip, wordt dichter en eindigt in een buitengaats zeemansgraf. De ultieme kroon die weinig dichters met hem delen.

 

Niet alleen z’n dood, ook de aanleiding was ‘grootsch en meesleepend’. Tijdens zijn vlucht voor het oprukkende Duitse leger (hij vluchtte per schip van Bordeaux naar Engeland) liep deze Berenice in de nacht van 20 op 21 juni 1940 in de Golf van Biskaje op een zeemijn. Of werd het - minder waarschijnlijk - door een torpedo van een Duitse duikboot tot zinken gebracht. Van de 22 opvarenden overleefden er slechts acht, onder wie – hoe tragisch romantisch… – als enige passagier zijn geliefde Rina.

Het Nederlandse stoomvrachtschip Berenice dat in de nacht van 20 op 21 juni 1940 in de Golf van Biskaje verging

 

Voor ik verder ga, eerst een kleine bekentenis: de allereerste keer dat ik van Marsman hoorde, ergens midden jaren tachtig op ‘t atheneum, dacht ik werkelijk dat het ging om een of ander buitenaards wezentje, eerlijk waar. Maar dit mag niemand mij euvel duiden, want net als de rest van de wereld was indertijd ook ik vreselijk in de ban van E.T.

 

Het lijkt erop dat Marsman (1899-1940) samen met Bloem, Perk, Gorter en Slauerhoff een van de laatste romantisch-decadente poëten was die ons land rijk was. Behorend tot het slag dichters dat niets aan het papier toevertrouwt zonder het zelf te hebben beleefd, was hij altijd op zoek naar het volle, zintuiglijke leven - en het liefst zocht hij dat buiten de landsgrenzen.

Geboren in het koude, winderige Zeist kreeg hij een enorme hang naar het warme Zuiden en zwierf hij maandenlang door de meanderende heuvels van Spanje, Zwitserland en Zuid-Frankrijk.

Als groot bewonderaar van Gorter, over wie hij een schitterende studie schreef (Herman Gorter : aantekeningen bij zijn poëzie, Querido, 1937), was het alsof hij alsmaar op zoek was naar die eeuwigdurende ‘Mei’, de voorjaarse pasteltinten, de frisse, zoete geuren van seringen en irissen, het kwinkeleren van merels en gaaien, het zachte zonnetje, de azuurblauwe zee. Steeds minder vond hij schoonheid en geestdrift in eigen land, waarover hij schreef: ‘Holland is en blijft een ellende. Wie hier op de grond stampt, zakt weg in de modder.’

 

Maar eenmaal geworteld in het verre Zuiden, leek het soms of weer een vretend gemis hem benauwde, een bedroefd verlangen naar Holland, naar zijn jonge jaren, zijn vrienden en verwanten. Ook Marsman vond nergens vree, niet op aarde, en niet op zee. In zijn ‘Brief aan een Vriend’ (men vermoedt dat het J.C. Bloem betrof), schrijft hij:

… mij kan soms nu het verlangen al overvallen

naar onze latere jaren,

als ik niet meer gekooid

in dit zwerfziek verlangen

wonen zal in het huis aan de breede rivier.

 hoe goed zal het zijn

de dagen te laten verstrijken

met roeien en jagen;

 

Klinkt hier niet een oude, weemoedige stem die denken doet aan de nadagen van Hemingway..?

 

Een verbijsterend groot oeuvre heeft Marsman niet nagelaten. Kan ook niet anders, te jong gestorven als hij is, net 41 jaar. Toch was hij bijzonder productief. Een puntgave bibliografie: naast een dikke stapel poëzie, vertalingen (onder meer Nietzsches Also sprach Zarathustra), ook heel wat essayistisch werk, waaronder een scherpe beschouwing over zijn held Menno ter Braak. In 1947 kreeg de weduwe Rina L. Marsman-Barendregt een mooie staatsopdracht om zoveel mogelijk archivalia van haar dode geliefde te verzamelen. Aan deze Rina danken we veel, zoals twee schriften vol ongepubliceerde gedichten en verzen, waarover het Literatuurmuseum beschikt.

 

Ongepubliceerd werk heeft standaard iets spannends. Je vraagt je namelijk af waarom het niet is uitgegeven. Wilde de uitgever zich er niet aan wagen? Te controversiële materie? Geen zin in gedonder? Vreesde hij dat het simpelweg de toets der kritiek niet zou doorstaan? Durfde hij het daarom zelf niet aan? Of was hij te angstig om een schokkend geheim prijs te geven? Een afwijkende seksuele voorkeur? Een gehate god? Een bepaalde ranzige preoccupatie? Of toch gewoon heel triviaal: hij vond ’t zelf niet goed genoeg.

 

We kennen de motieven niet. U mag het zelf beoordelen. De verzameling gedichten is opgezet als een boekje, met een keurige inhoudsopgave, plus een onheilspellend motto: ‘Bloed valt geen keus ten deel’.

 

De toon is gezet. Het document bevat veel bloed, veel nacht, veel God, veel ziel. Het gedicht met de raadselachtige titel ‘1928’ luidt:

1928.

 

Neen, het is nog geen nacht –

twee of drie staan er nog op wacht,

maar het is donker. –

en misschien

worden zij afgeslacht

voordat zij den morgen zien.

 

 

 

Wie zijn ‘zij’? Honden, soldaten? Als geheel vormen de schriften een buitenissig melange van mystieke, duistere, godroepende, ene Gertrude-minnende, door hemzelf vertaalde vitalistisch-sentimentele Duitstalige poëmen, met hier en daar een speels-filosofische toontje. Zoals het curieuze vers ‘Potsdam’:

blokken

tegen

blokken

wegen

 

zinken licht

 

 

Marsman, een rusteloze ziel, een rasromanticus, die nooit kon aarden in de koude, Hollandse modder, altijd op zoek, altijd op weg, met in z’n koffer pennen, schriftjes, broeken én zijn opvouwbare reisspiegel. Behalve dan die ene keer, zijn laatste reis, die vluchtpoging door de Golf van Biskaje, toen liet hij zijn reisspiegel thuis, alsof-ie het wist. Die spiegel ligt nu hier in het museum en wie onbevangen in het glas kijkt, ziet in vage, schimmige contouren het tere, broze evenbeeld van Marsman.

Marsmans reisspiegel, in 1948 door zijn weduwe geschonken aan Albert Vigoleis Thelen

 

Er moet me tot slot nog iets van het hart. Dit land is nogal scheutig met nietszeggende schrijvers in nietszeggende babbelshowtjes over nietszeggende onderwerpen, maar het eren van onze grote dode schrijvers, schrijvers die er echt toe deden, nee, daar zijn wij geen kei in. Waarom vind ik bijvoorbeeld nergens een standbeeld van de beste man? Of ook maar een plaquette op een muur, of anderszins gedenkteken, zelfs niet in zijn geboorteplaats Zeist. Dat verdriet mij. Derhalve heb ik maar zelf het heft in handen genomen, op mijn eigen, kleine wijze. Ter inspiratie diende Marsmans eigen gedicht over een onbekende vrouw: 

Graf

 

Dit is haar graf, onder de jonge linden

Vergaan haar handen en haar zachte ogen

Moet men geloven dat wie haar beminden

Haar eens hervinden en herkennen mogen

 

Ik kwam op ‘t volgende:

Graf

 

Dit is zijn graf, onder de golven van Biskaje

Vergaan zijn handen en zijn tere ogen

Moet men geloven dat misschien de haaien

Hem eens hervinden en herkennen mogen

 

En als die haaien hun plichten niet verzaken, en ik met m’n ferme zeehengel, waarmee ik al heel wat woeste kusten heb afgestroopt, ooit aanzeil op de Golf van Biskaje, en mijn lijn tot voorbij de horizon werp, op jacht naar een red snapper, grouper, tandbaars, een vervaarlijke barracuda, of misschien eindelijk eens die tijgerhaai aan de lip haak, dan weet ik zeker dat ik in de maag een vingerkootje aantref. Dat kootje wordt dan beslist mijn grootste trofee! Ik zal ‘t schenken aan het Literatuurmuseum.