Ik was zelf net verliefd, toen ik Nescio voor het eerst hoorde

Christiaan Weijts bekijkt in het Literatuurmuseum het handschrift van een onvoltooid jeugdwerk van Nescio, ‘Mijn vriends eerste liefde’. Het verhaal is op raadselachtige wijze verbonden met zijn eigen eerste liefde.

 

Het werk van Nescio (1882-1961) leerde ik kennen op 13 februari 1993, op dezelfde plaats waar ik tien jaar later mijn eerste boekje met columns zou presenteren, en drie jaar daarna mijn debuutroman. De Tuinzaal van café de Burcht in Leiden. Het was een geheel bewolkte dag, meldt het KNMI-archief. De gevoelstemperatuur lag iets onder nul.  

 

De Boekenweek is dit jaar een ode aan de eerste liefde. Vanaf 9 april is in het Literatuurmuseum Schrijvers & De liefde te zien, een kleine tentoonstelling met de mooiste foto’s, manuscripten en liefdesbrieven uit onze collectie. 

Dat is inderdaad wat ik me herinner, de vrieskou buiten. En dat er binnen een tafeltje op het podium stond met een petroleumstel en een doos sigaren. Een man in regenjas, acteur Johannes Kemkens, kwam op en begon te vertellen. Die ene overbekende zin, maar je moet bedenken dat ik hem voor het eerst in mijn gezicht kreeg geslingerd, onvoorbereid, zoals je als zestienjarige zoveel voor het eerst in je gezicht krijgt geslingerd.

 

‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ 

 

We hadden het verhaal ook gelezen, klassikaal, uit een oude Bulkboek-uitgave, maar merkwaardig genoeg had dat nauwelijks indruk gemaakt. Al die stamelend door klasgenootjes voorgelezen zinnetjes waren opgegaan in de grote brij van natuurkundeformules, Franse woordjes en brokjes Tacitus, met pijn en moeite vertaald uit het origineel. 

 

Dat die zinnen hier in dit kleine zaaltje ineens wel tot leven kwamen, komt doordat de verhalen van Nescio ook echt monologen zijn, gemaakt om te vertellen. Zijn Franse generatiegenoot Louis-Ferdinand Céline, die voor het eerst de spreektaal, het argot, gebruikte, schreef eens dat het moet zijn ‘alsof iemand het in je oor fluistert’. Zo is het ook met Nescio. Hij is veel beknopter, kernachtiger, maar in essentie is het alsof je vlak naast de verteller zit, bij een haardvuur, met een kelkje jenever, en hij begint. Moet je horen.  

 

Manuscript van Nescio’s ‘Mijn vriends eerste liefde’, collectie Literatuurmuseum

 

Nescio publiceerde niet, tenzij hij zeker wist dat het heel, heel goed was

Lees meer

Die spreektaal, die jongens-onder-elkaar-sfeer, moet er bij hem al vanaf zijn eerste verhaalpogingen in hebben gezeten. Het Literatuurmuseum heeft het handschrift van een onvoltooid jeugdwerk in het bezit, ‘Mijn vriends eerste liefde’. Nescio, toen nog gewoon Jan Grönloh, moet het in de zomer van 1900 hebben geschreven, zo reconstrueert biograaf Lieneke Frerichs in het verzameld proza (Nijgh & Van Ditmar/Van Oorschot, 1996).

 

‘Nou ouwe jongen, daar gaat ze. Op de gezondheid van Hendrik IV.’

 

Nee, dit heeft bij lange na nog niet de grootsheid van zijn latere beroemde openingszinnen, maar de charme ervan is de totale pretentieloosheid. Het is de argeloosheid van iemand die zich naar je toebuigt en zomaar een verhaal begint te vertellen. De achttienjarige Grönloh past in dit verhaal al allerlei stijlmiddelen toe die hem tien jaar later tot zo’n volstrekt eigenzinnige auteur zullen maken, met het uiterst kleine maar onmiskenbaar monumentale oeuvre.

 

Het zit hem al in dat ‘Hendrik IV’. Dat blijkt algauw een gecodeerde boodschap. Het is de naam waarmee zijn vriend Jaappie een onbekende jonge vrouw aanduidt die hij bij het loket van het Centraal Station even gezien had. Een strohoed met witte veren droeg ze, en die had haar kennelijk die bijnaam gegeven in de hoofden van de jongens.

 

‘M’n vriend was verliefd, de witte veeren waren op reis naar Haarlem en naar god weet hoe ver nog en m’n vriend liep melankoliekelijk ’t eerste perron op en neer. En nu zaten we op mijn kamer en dronken limonade voor ’t open raam op de gezondheid van de witte veeren.’ 

 

Eerste liefde. Maar het is vooral de eerste liefde voor het schrijven-vertellen die we hier proeven. Het ritme van de zinnen, het mengsel van een heel subtiel type humor en een milde melancholie: de typische Nescio-signatuur is hier al in aanwezig. Ook dat berustende ‘naar god weet hoe ver nog’, en het gebruik van het woordje ‘en’.

 

Hoe onvolkomen ook, je hóórt de verteller hier praten, ook door het onbekommerde gebruik van woordjes als ‘toen schreefi’, ‘dat i’, ‘derbij’, ‘toen kreeggi hoe langer hoe meer schik’.

 

Het verhaal zelf is onaf, of waarschijnlijk niet in zijn geheel bewaard gebleven, waardoor het abrupt afbreekt als Jaappie en de verteller eindelijk achterhaald hebben waar die witte veren wonen en ze ’s avonds op het station van Santpoort staan – in het verhaal ‘Zandpoort’ genoemd – om een bezoekje te brengen.

 

Ongetwijfeld hoort hier een mooi Nescio-einde te volgen, iets onverwachts dat de melancholie nog wat verzwaart en er tegelijk iets schouderophalends aan geeft.

 

Laatste bewaard gebleven pagina van ‘Mijn vriends eerste liefde’

 

 

En nu ik hier al een tijdje over loop te piekeren, dringt zich van alles op dat ik nu toch maar moet vertellen. Ik was namelijk zelf net verliefd, toen ik Nescio daar in Leiden voor het eerst hoorde. Ik had voor het eerst een vriendinnetje, en met haar begon het op 31 december 1992. We hadden elkaar al vagelijk leren kennen op school, het Stedelijk Gymnasium, maar ze belde me ineens ’s ochtends op. Normaal ging ze altijd met haar moeder een wandeling maken op oudjaarsdag, maar haar moeder was te druk. Had ik zin om mee naar Meijendel te gaan?

 

Dus fietsten we van haar woonplaats, Voorschoten, naar Wassenaar. Het vroor en er lag sneeuw. Vanwege die kou moesten we in die duinen dicht tegen elkaar aan lopen. We deelden één paar handschoenen en onze blote handen moesten elkaar warm houden. Dit alles was ontzagwekkend groot.

 

Natuurlijk spookte zij door mijn gedachten tijdens die voordracht van ‘De uitvreter’, maar het is pas jaren later dat ik ontdekte dat dit verhaal nog raadselachtiger met haar verbonden is. Het meisje in kwestie is namelijk een achternichtje van de schilder Jacob Bendien (1890-1933). Bij haar oma (Jacobs zus) in Gorssel, de Achterhoek, hingen werken van hem, en daar hoorde ik ook over het kunstenaarsmilieu in Montmartre waar hij deel van uitmaakte, de straatarme bohème, de Japi’s en Bavinks uit Nescio’s latere verhalen.

 

Met Nescio naar Muiden: ‘In mijn verbeelding begint de natuur te bloeien’

Lees meer

Een paar jaar terug deed ik voor mijn roman Furore (2020) onderzoek naar dat milieu, en naar de avonturier-journalist-bohemien Tom Schilperoort die er met Picasso bevriend raakte. Deze Tom werd door meerdere bronnen aangewezen als mogelijke inspirator voor de bekende ‘Japi’ uit ‘De uitvreter’. Ook Jacob Bendien zou in mijn historische roman even langskomen, meldde ik mijn eerste liefde (we bleven zeven jaar samen). Ze reageerde opgetogen. ‘Wat fijn dat je mijn Japi in leven houdt!’ En stuurde me allerlei documenten door.  

 

Háár Japi? Verdraaid, er was inderdaad onder Nescio-duiders een hele school die beweerde dat Jacob Bendien model moet hebben gestaan voor Japi alias de uitvreter. Ach, in werkelijkheid zal het een versmelting zijn geweest van allerlei wonderlijke figuren uit dat jongensmilieu.  

 

En daar is nu deze ‘Jaappie’ bijgekomen uit ‘Mijn vriends eerste liefde’. Frerichs wijst erop dat het Japi Roelofs moet zijn, die in brieven met Nescio over zijn hevige verliefdheid op, jawel ‘Hendrik IV’ spreekt.  

 

Hoe zou het met deze Jaappie eindigen in dat onvoltooide jeugdverhaal? Hij zal vast niet van de brug gestapt zijn.  

 

Ik gun hem eigenlijk een einde zoals ik had op die oudjaarsdag in de duinen, met het achternichtje van een van de Japi’s, met een eerste echte kus. Het bankje waar het gebeurde, aan een vijver, staat er nog.  

 

Maar Nescio’s verhalen hebben nooit een echt happy end. Ik denk dat Jaappie uiteindelijk het huis vindt, de witte veren opmerkt, in een tuin, boven een hoge heg uit. Dan begint hij haar te achtervolgen. Als hij haar eindelijk te spreken krijgt, blijkt aan die witte veren hoed een stokoude dame vast te zitten. Daarop gaat Jaappie – het is dan al donker – gelaten langs de branding lopen, langs de zee die zich nergens iets van aantrekt, en maar rijst en daalt zoals hij duizenden jaren rijst en daalt en duizenden jaren zal blijven doen. En waar het maanlicht op fonkelt, onwetend van al die Japi’s en hun peilloze eerste liefdes.  

 

Waar de laatste bladzijden zijn gebleven, is altijd onopgehelderd gebleven.  

 

 

Nescio, jaren 20. Foto: collectie Literatuurmuseum