Meer dan lippendienst

door Bertram Mourits

Toen ik H.C. ten Berge in de nazomer van 2018 sprak voor een interview in het decembernummer van Poëziekrant, ging het ook even over de ongemakken van het moderne leven. De noodzaak om je digitaal te identificeren, de absurde omwegen die je moet maken om een rijbewijs te verlengen – Ten Berge viert eind 2018 zijn tachtigste verjaardag en de vertragingstactieken van de gemeente deden pesterig aan – en de betreurenswaardige ontwikkeling van de brave Postgiro naar de geldbeluste ING: allemaal symptomen van de kwaal dat het individu in deze tijd de autonomie aan het verliezen is. Ten Berge schreef erover in de cyclus ‘Hoe het is om nu te leven’, uit de bundel Kerven, Kastijdingen (niet apart uitgegeven maar te vinden in de verzamelbundel Cantus Firmus).

                Hoe het is om nu te leven –

                                door verleugening en kromspraak

                                uit de taal verjaagd te worden

 

                knecht te zijn van hen

                die ons zouden bedienen

 

Het verlies aan autonomie staat voor hem gelijk aan het verjaagd worden uit het domein van de taal, die misbruikt wordt door instellingen die er zouden moeten zijn om ons te ‘bedienen’ maar die ons in de praktijk tot knecht maken.

 

Dit is een actueel thema, maar het besef dat wie de taal heeft, de macht heeft, leeft bij H.C. ten Berge al langer – het dook bijna veertig jaar eerder op, in sterk vergelijkbare termen bovendien, in de reeks ‘Over de tong uit de bundel Va-Banque (1977).  

              V.3

 

              Zo vanzelfsprekend
              bedien ik mij van de mond
              dat ik de slaaf vergeet
              die voedsel geeft aan mijn gedachten.
 
              Levenslang tot lippendienst
              gedwongen
              woedt hij de geknechte meester
              van mijn mond.
 
              Als ik praat terwijl ik eet
              voelt hij hoe brood en taal
              elkaar beminnen in zijn kot;
 
             hij wroet hunkerend
             tussenbeide –
             lenig zwijntje, lekker
             wentelend in de brij
 
             Maar geen tong kan liefde lang verkroppen:
 
             als de zin gereed ligt en het brood
            ontkleed, stoot hij de woordkluit
            uit en schrokt de rest naar binnen.

 

Dit is het voorlaatste gedicht in een reeks waarin Ten Berge de blik naar binnen werpt: wat heeft een dichter te zeggen? Wat is de functie van een gedicht, hoe belangrijk is taal voor het leven, kan het woord levend worden? Dat laatste gebeurt in elk geval via beelden en woordspelingen, want in ‘Over de tong’ vallen brood, woord, taal en gedicht samen – in de mond en op papier.

 

Hoe deze elementen bij elkaar geplaatst werden, is mooi te zien in de handschriften, die Ten Berge in 2012 aan het Literatuurmuseum schonk. Je ziet hoe hij op allerlei manieren, en met gebruik van veel woorden, op zoek is om de begrippen die zo soepel door elkaar heen lopen, met elkaar in verband te brengen – en hoezeer hij op zoek is naar economie in de woordkeus. De bewering ‘brood en taal komen elkaar (in zijn nabijheid) tegen’ blijft inhoudelijk gehandhaafd, maar meer indirect, als suggestie, in de zin: ‘zo vanzelfsprekend bedien ik de mond dat ik kan praten terwijl ik eet’.

Een volgende formulering: ‘laat je de mond voor je werken, dwing je de mond tot arbeid.’ En dan valt het juiste woord hem te binnen dat zowel brood als woord suggereert: ‘de mond is onderworpen aan lippendienst’. Ten Berge onderstreept het zinnetje twee keer, al zal het nog aangepast worden. Het woord ‘lippendienst’ is regelmatig te vinden, zowel geschreven, getypt als doorgekrast, maar het mag uiteindelijk blijven. Ook onderstreept is: ‘levenslang tot l.d. veroordeeld’.

 

In datzelfde interview in Poëziekrant beschrijft Ten Berge hoe het schrijfproces zich voltrekt. Het begint met het gevoel: ‘wat een schitterend woord, daar wil ik iets mee doen, dat wil ik uitbouwen, het zij inhoudelijk of muzikaal. Zodra ik dat zeker weet, ontwikkelt een gedicht zich dan redelijk snel. Het torso van zo’n gedicht staat er, als het komt, vrij snel. Wat tijd kost is de afwerking. Dat kan dagen en soms weken duren.’

 

Dat dat klopt, is mooi te zien aan de vellen die hier afgebeeld zijn. De structuur van de gedichten is er vrij snel, en Ten Berge begint ook in een vroeg stadium versies uit te typen, maar dat zegt nog niets over de mate van voltooidheid. Het lijkt een manier om weer nieuwe gedachten in de marge los te maken. Sommige formuleringen blijven lang gehandhaafd maar andere woorden verdwijnen weer snel. Bijvoorbeeld: ‘Als ik praat terwijl ik eet weet hij hoe brood en taal elkaar astraal (moeten) beminnen’ – het woord ‘astraal’ dat in de jaren zestig te pas en te onpas werd gebruikt, moest verdwijnen, het beminnen mocht blijven, zij het niet in de holte maar ‘in zijn kot’. Twee gedichten (V.3 en V.4) worden samengevoegd. En op gegeven moment ziet Ten Berge hoe de reeks moet eindigen: ‘EINDE V’ zet hij met rode pen achter de woorden ‘en werkt de rest naar binnen’. ‘Werkt’ zou nog ‘schrokt’ worden (terwijl het daarvoor zelfs nog ‘werkt discreet’ was geweest) en er kwam nog een tweeregelig zesde gedicht om het geheel af te maken:

                Geen zinnebeeld meer maar een beeld

                van de zinnen.

 

Een woordspeling met zintuigen en talige zinnen rondt een cyclus af waarin woorden, brood, taal, in een constant woordspelig verband staan. Dat taalspel heeft lezers wel eens op het verkeerde been gezet want Ten Berge is vaak als een moeilijke, louter ‘talige’ dichter beschreven. Alsof het alleen maar over de zin maar nooit over het zinnebeeld zou gaan en alsof Ten Berge’s wereld een louter ‘hermetisch universum’ zou zijn (zoals Paul van Capelleveen in 2006 in Awater de kritiek samenvat).

 

Ten Berge heeft dat beeld overigens op speelse wijze belachelijk gemaakt in ‘De laatste modernist’, waarin hij zegt een schepper te zijn van ‘ijstijd, massale sterfte, beelden van ijzige leegte/ en bijtende kou op de rand van haast niets’. In dit ironische zelfportret blijkt dat hij zich realiseert wat het effect is van bundels als Poolsneeuw maar een onherbergzaam decor impliceert nog geen ontoegankelijk gedicht. Ten Berge biedt altijd talrijke handreikingen in de vorm van annotaties, verantwoordingen en marginalia.

 

Hij wil de lezer laten denken en zoeken, maar hij is geen dichter die zijn lezers laat zwemmen. Daarvoor staat er te veel op het spel; zelfs al maakt hij zich geen illusie over de macht van poëzie. Maar taal heeft wél macht, en daarom is het zorgvuldig gebruik ervan van het grootste belang, zo demonstreert Ten Berge een oeuvre lang, toegewijd, zorgvuldig, betrokken.