Met het leven alleen valt best te leven

door John-Alexander Janssen

We zitten op nog geen kwart van zijn essay over ‘zijn soort’ literatuur, een stuk dat de prikkelende titel ‘Onontkoombaar(heid)’ draagt, als schrijver/vertaler August Willemsen na het noemen van diverse literaire invloeden (Léautaud, Gide, Dostojevski, Stendhal, Slauerhoff, Larbaud) plotseling een gevoelige vraag stelt, die een flink stuk van het gras voor zijn eigen voeten dreigt weg te maaien: ‘is kunst, literatuur, eigenlijk wel nodig? Is het geen luxe? Mensen zat die zonder kunst leven. Ik heb er genoeg ontmoet, en het is precies als met kunstzinnig of literair onderlegde mensen: sommigen zijn aardig, anderen niet; sommigen zijn gevoelig, anderen niet (...).’ Anders gezegd: ‘Waartoe kunst? Met het leven alleen valt best te leven.’

           

De vraag lokt een andere uit. Wat ís kunst eigenlijk? Kom ik op terug.

           

Soms, aldus Willemsen, wenste hij dat er überhaupt niet zoiets bestond als literatuur. Dat zou hem heel wat tijd hebben gescheeld. Heel wat frustratie of schaamte over boeken die hij nog niet had gelezen, oeuvres. De vraag naar de noodzaak van kunst is dus eigenlijk de verkeerde, al is het verleidelijk om hem zo te stellen, zeker in tijden waarin je het woord ‘kunstsubsidie’ niet kan uitspreken zonder op zijn minst een opgetrokken wenkbrauw of twee uit te lokken.

Of het nu nodig is of niet, bekent Willemsen, hij kan simpelweg niet zonder. ‘Men kan niet uit de cultuur stappen waarin men zich bevindt (...). En zo zit ik dus opgescheept met de literatuur, en heb daar vrede mee.’

 

Welke literatuur? In ieder geval niet een die te ver staat van het leven, ‘van vlees en hartslag van de werkelijkheid’. Dit laatste was voor hem ‘het chaotische geheel van angsten, driften, emoties dat de individu is, in confrontatie met zichzelf, de ander, met liefde, dood en het verstrijken van de tijd’. De maatschappij en de betrekking tot een opperwezen interesseerden hem minder. ‘Die gerichtheid op de individu herkende ik in veel van ‘‘mijn’’ schrijvers, hoe verschillend ze onderling ook waren.’

           

De eerste afrastering is gemaakt. Maar, zoals Willemsen zelf toegeeft, het huis van de ‘gerichtheid op de mens’ telt vele kamers. Hier doen stijlcriteria hun intrede. Ironie was uit den boze. Tenminste, ironie als masker, of ‘schild: (...) als vlucht voor aanspreekbaarheid, als truc’. Want, ‘wanneer het aankwam op onontkoombare zaken, wanneer daaraan stem geven een levenskwestie was, dan was het gedaan met de vrijblijvendheid, dan schoot ironie te kort’.

           

Geen mooischrijverij ook, geen ‘vormkunst die als zodanig bedoeld en zichtbaar is, die meer de aandacht vestigt op zichzelf dan op wat erin gezegd wordt (...), die na lezing van het boek in herinnering blijft terwijl men de vorm had moeten vergeten en het boek had moeten onthouden’.

The last men standing (het waren mannen), degenen die ook na deze intellectuele zeisbeweging nog overeind bleven, waren zijn favorieten. Zijn literaire helden, misschien. Iedere schrijver eert de zijne/hare. Willemsen deed het door over ze te schrijven en, vooral, door ze te vertalen. Pessoa, bijvoorbeeld. Maar voorafgaand aan de vertaling was er de intense lezing. De beleving.

           

In 1962, in Lissabon, las ik, fles goedkope wijn onder handbereik, tot diep in de nacht hardop Pessoa’s gedichten, totdat ik hele bladzijden uit mijn hoofd kende en totdat, na drie nachten, mijn Angolese buurman opmerkte dat ik Pessoa mooi voordroeg en een prachtige uitspraak had maar dat de muur die ons scheidde erg dun was.

           

In de literatuur zocht hij ‘de grote dingen zonder de grote woorden’. Met ruimte voor uitzonderingen op de regel: ‘de proportie is alles’. Sommige thema’s, vond Willemsen, gedijden met ‘een turbulente, bewogen, grootse stijl’. Hij noemde De binnenlanden van de Braziliaan Euclides da Cunha. Uiteindelijk ging het om de inhoud. Om ‘de dingen des levens die niet veranderen’. Om, zoals hij het zegt, ‘essentie’ in plaats van veranderlijkheid (‘contingentie’). Uiteindelijk, want iedere inhoud kende een juiste vorm: ‘de juiste woorden, juist geordend, voor wat gezegd wil worden, woorden die dan vanzelf ook mooie woorden worden’.

Dit veronderstelde de nodige kennis van structuur. Ook al voel je die structuur niet altijd meteen aan, of niet in gelijke mate als een ander dat doet: zonder structuur geen kunst. Wat kunst dan is? Daar is ie: ‘Kunst is iets moeilijks goed doen, of het nu is op linnen, steen, papier, op planken of op gras (...) Een emotie, maar in een vorm gegoten (...). Dat te bewerkstelligen is moeilijk, anders kon iedereen het.’

           

Maar wat is goed? ‘Dat betekent dat weinigen het kunnen evenaren, dat niemand anders het precies zo zou kunnen.’ Dat de vorm de inhoud niet verstoort, ja bijna toevallig lijkt gekozen. Vrij vertaald voor de literatuur: dat je als lezer achteraf pas beseft dat er ook een vorm was, omdat je in het boek was verzonken... Zozeer, dat je haast zou gaan betwijfelen of met het leven alleen wel valt te leven. Dát is, denk ik, Willemsens onontkoombaar(heid). Dat bewerkstelligen is kunst.

           

Zo schrijven. Dat is het doel.