‘Misschien kun je nog tot een bundel komen voor het najaar?’ Brieven van Judith Herzberg en Geert van Oorschot

‘Met gedichten is het altijd oppassen geblazen,’ schrijft uitgever Geert van Oorschot aan Judith Herzberg ter verklaring dat hij de drukker van haar bundel niet mag haasten. Dat geduld brengt hij voor de dichter zelf niet altijd op, zo blijkt uit hun correspondentie. Maar Herzberg is streng voor zichzelf en neemt de tijd.

 

Judith Frieda Lina Herzberg won de drie belangrijkste oeuvreprijzen van Nederland: de Constantijn Huygens-prijs (1994) , de P.C. Hooft-prijs (1997) en de Prijs der Nederlandse Letteren (2018).


Genoeg blijken van waardering, zou je zeggen.

 

Maar Herzberg is een dichter die zowel door de literaire wereld als het grote publiek in het hart is gesloten: trouw- en rouwkaarten, annonces, gevels van gebouwen, op al die plekken zijn Herzbergs zinnen terug te vinden.


Oh that I had the art of easy writing/ What should be easy reading, dichtte Lord Byron aan het begin van de negentiende eeuw. Hij wist: eenvoudig schrijven is niet zo simpel. Sterker nog, achter leesbare, levendige en persoonlijke poëzie gaat vaak heel veel hard werk schuil. Het vereist toewijding en een beheersing van taal en techniek, uren van schrijven en schrappen en een eindeloze zoektocht naar het juiste woord om poëzie te schrijven die gesproken lijkt. In een eeuw van mystificerende, barokke veelschrijvers als Gerrit Komrij, Harry Mulisch en Gerard Reve (die ook nog eens vaak op tv waren!) had die toewijding gemakkelijk ondergesneeuwd kunnen raken, wat gelukkig niet gebeurde.

 

Judith Herzberg in 1970. Foto: Anneke Benda

 

 

Judith Herzberg schreef in bijna zestig jaar zo’n vijftien bundels. Veel van haar gedichten beslaan niet meer dan een pagina en hebben de vertrouwdheid van een brief van een vriend, geliefde of familielid. Haar poëzie maakt het complexe begrijpelijk, zonder de complexiteit van de werkelijkheid daarbij geweld aan te doen. Dit komt door Herzbergs scherpe oog en haar voorkeur voor begrenzing: zowel in haar gedichten als in haar toneelstukken is de woordenstroom licht, helder en zorgvuldig – de ruis maar niet de lastige tegenstellingen van het leven weggefilterd. De dichter construeert haar werk zo dat de lezer het moeiteloos kan opnemen, zonder ervan in verwarring te raken; haar werk biedt momenten van grote klaarheid – ook als het verdrietig stemt.


Daarnaast is Herzberg streng voor zichzelf én neemt ze de tijd.


Herzberg is de dochter van Thea Loeb en Abel Herzberg. Ze kwam uit een intellectueel, progressief gezin. Over haar ouders zei ze ooit: ‘Mijn moeder kon timmeren en had een gereedschapskist. Mijn vader kon heerlijk koken.’ In de Tweede Wereldoorlog werd het gezin geïnterneerd in Kamp Barneveld. Het gezin ontsnapte, en de jonge Judith bracht de rest van de oorlog ondergedoken door. Herzberg debuteerde in 1961 op haar zevenentwintigste met drie gedichten in Vrij Nederland. Drie uitgeverijen toonden interesse, Herzberg tekende uiteindelijk bij Van Oorschot, de uitgeverij van Geert van Oorschot, ook omdat Guido, een van zijn zoons, in haar tienerjaren bij haar over de vloer kwam. Twee jaar later volgde haar eerste bundel, Zeepost, gevolgd door Beemdgras (1968), Vliegen (1970), Strijklicht en haar Hoogliedbewerking 27 liefdesliedjes (beide 1971). Later volgden de toneelstukken, filmscenario’s, essaybundels en een dagboek bij Charlotte, een door Frans Weisz verfilmd scenario van haar hand. In 2019 verscheen de bundel Vormen van gekte

 

 

‘Wil je mij ook een heel mooi, scherp foto’tje zenden, bijvoorbeeld een foto’tje zoals je er zondag uitzag, maar wel met je hoed op’

 

 

Tijdens de eerste periode van haar schrijverschap was Geert van Oorschot Herzbergs uitgever. Hij bood mevrouw ‘Van Leeuwen-Herzberg’ in juni 1963 haar eerste contract aan, de brief is in het bezit van het Literatuurmuseum. Van Oorschot schrijft dat de overeenkomst ‘gelijkluidend’ is als die van Jan Emmens en Aad Nuis, twee andere dichters uit zijn fonds. Hij vraagt meteen om een auteursfoto: ‘Wil je mij ook een heel mooi, scherp foto’tje zenden, bijvoorbeeld een foto’tje zoals je er zondag uitzag, maar wel met je hoed op.’

 

Het museum heeft meer correspondentie uit de periode tussen Zeepost en Beemdgras. Van Oorschot tikt zijn brieven, Herzberg antwoordt met een handgeschreven brief, waarvan de PS’en vaak de belangrijkste boodschap bevatten.

 

Voor de liefhebber van Herzbergs werk is er veel terug te vinden in de uitwisseling. In haar brief uit juni ’63 stelt Herzberg voor haar debuutbundel, die in november zou verschijnen, de volgende titels voor: Nu of nergens, Zoals nu en Wij, nu, even (wat een prachttitel!) – de laatste woorden van het laatste gedicht van de bundel, ‘Bergmeer’:

 

 

Daar liggen godvergeten zonbeschenen stenen
heet te worden, af te koelen.
Geen mens geen dier om het te voelen.
Alleen wij, nu, even.

 

 

Herzberg wil de gedichten helder krijgen als het water van een bergmeer. Ze schrijft: ‘Kan ik, voor je met zetten begint, de bundel nog even van je terug krijgen, dan kan er hier en daar nog iets toegevoegd worden ter verduidelijking.’ Ze kijkt ook nog naar de volgorde, ‘Omdat sommige gedichten niet tegen elkaar aan willen liggen.’

 

In Van Oorschots terloopse seksisme gaat ze niet mee: ‘Een foto van mij bestaat niet geloof ik […]. De hoed teken ik er wel overheen als je daar op staat, en als er een geslaagde foto blijkt te zijn.’

 

 

 

In ’64, een klein jaar na het verschijnen van haar debuut, verhuist Herzberg. Dit komt haar dichten niet ten goede, of in ieder geval is het een goed excuus. Van Oorschot, opgetild door de ontvangst van Zeepost, vraagt Herzberg ‘de lier weer eens van onder de verhuisrommel vandaan te halen’. Weer acht maanden later stuurt Van Oorschot Herzberg proeven van gedichten toe, ik vermoed voor Tirade, het literaire blad van de uitgever, en een jaar later schrijft hij haar: ‘Laatst zag ik toevallig je moeder en vader, die mij vertelden, dat je zo langzamerhand wel weer een bundeltje bijelkaar gegaard had.’


Garen heeft een air van rust, maar de uitgever heeft haast.

 

Twee weken later schrijft Herzberg: ‘Beste Geert, dank voor je briefje. Wat betreft een bundeltje, ik weet nog niet. Ben op het ogenblik aan het tikken en uitzoeken. Was de hele winter ziek, hernia, en lag plat.’ Wel heeft ze een handjevol gedichten opgestuurd naar De Gids. ‘Het heeft, wat mij betreft, allemaal geen haast.’

 

 

‘Je hoort toch veel meer bij ons dan bij die onduidelijke kwasi-revolutionaire Gids. Jammer, jammer’

 


Van Oorschot antwoordt: ‘Wat jammer nu toch dat De Gids die gedichten van je gekregen heeft. Je hoort toch veel meer bij ons dan bij die onduidelijke kwasi-revolutionaire Gids. Jammer, jammer.’


Hij zou ‘dolgraag’ Herzbergs gedichten lezen: ‘Misschien kun je toch nog tot een bundel komen voor het najaar?’ En een maand later: ‘Je hebt helemaal niet op mijn briefje geantwoord. […] Een even kleine of grote bundel dit najaar zou toch heerlijk zijn?’ Herzberg stuurt hem gedichten toe, met de opmerking dat ze nog niet genoeg ‘body’ hebben en dat ze met publiceren liever nog wacht.

 

Het beeld is duidelijk: Herzberg heeft geen haast, Van Oorschot wel. Maar dan, ineens, eind ’66, nadat Van Oorschot haar nieuwste gedichten heeft gelezen, schrijft hij: ‘Nog altijd kwam ik er niet toe uitvoerig over je bundel te schrijven. […] Ik merkte gelukkig in je laatste telefoongesprek dat je geen haast had.’ Een – verstandige – koerswijziging.
 

 

 

Een maand later volgt een uitgebreide bespiegeling op Herzbergs gedichten – de titels in kapitalen en het commentaar erachteraan. Een selectie: ‘BEROEPSKEUZE. Een heel droevig gedicht.’ (Met de beroemde openingszin ‘En toen ze vroegen wat ze later wilde worden’) ‘RECEPTIE. Zegt me niets.’ En als afsluiter: ‘Na Zeepost is deze bundel als bundel m.i. minder. Ik zou, als je haar had aangeboden om uit te geven, het je voorlopig hebben afgeraden.’

 

 

 

Maar Herzberg biedt de gedichten ook niet ter publicatie aan. Zoveel blijkt wel uit de correspondentie. De dichter laat zich niet opjagen door de uitgever, wellicht wel in het delen van haar werk in uitvoering, maar niet in publicatie daarvan. In ’66 en ’67 zeurt Van Oorschot af en aan om gedichten voor Tirade en vraagt naar ‘de voorbereidingen voor een nieuwe bundel’. Ondertussen komt Herzberg met meesterlijke zinnen, verwerkingen van tijd en ruimte en ritme en inzicht, die altijd naar meer dan zichzelf verwijzen:

 

 

‘de tijdstip’ dat wat niet bewaard
kan worden, daardoor niet ontaardt.

 

- ‘De tijdstip’

 

 

Herzberg blijft rustig. Eind ’67 schrijft Van Oorschot haar over een nieuw contract én het persklaar maken van de bundel: ‘Ik voel me steeds meer op mijn gemak met Beemdgras. En dat niet alleen met de titel. Ik vind het in zijn geheel een heel mooie, bijzondere bundel.’


Begin ’68 stuurt Herzberg de drukproeven terug. ‘Er was maar één grappige fout in, en die kwam door het overtikken: conservaties i.p.v. conversaties.’ (Dit moet het gedicht ‘Afwasmachine’ zijn, over de introductie van de afwasmachine. De openingszin luidt, ‘Adieu, messen en vorken, ik was jullie nooit meer af’, de eerste strofe eindigt als volgt:

 

 

Hoor eens, we moeten redelijk zijn, het gaat niet aan
die conversaties na het ontbijt, hoe was de pap,
maakte het ei erg vlekkerig, is er niet al te hard
op je gebeten en was de rabarber verfrissend?

 

 

En de slotzinnen zijn:

 

 

Wij moeten niet kinderachtig zijn. Warme sopjes
hebben hun tijd gehad. De wereld eist ons op
voor gewichtiger zaken. Mijn persoonlijkheid
bijvoorbeeld, moet nog ontplooid. Dat
kan natuurlijk niet met jullie, of met de kopjes.

 

 

Of zegt Herzberg hier nou dat de afwas juíst een reflectiemoment was?)

In februari volgt de bundel in proef: ‘Plezierig om nu alles in druk te zien,’ schrijft Van Oorschot. ‘Ik weet niet of het in maart of april verschijnt. Ik hoop nog in maart, maar ik mag drukker noch binder haasten. Met proza mag dit soms nog wel maar met gedichten is het altijd oppassen geblazen.’

 

In september ’68, nog geen halfjaar na de publicatie van Beemdgras, in korte tijd zou de bundel negen herdrukken beleven, vraagt Van Oorschot ‘dichters van zijn voorkeur’ alweer om hun ‘beste, ongepubliceerde gedichten’ – ook zijn ‘Lieve Judith’: ‘Ik hoop dat ik op jouw medewerking mag rekenen.’

 

 

 

Herzbergs antwoord: ‘Zeer geachte heer, Uw vererende aanvraag ontvangen hebbende moeten wij U niettemin mededelen dat helaas in dit drukke seizoen de aanvraag groter is dan het aanbod. Wij zullen evenwel Uw order aan onze productie-afdeling doorgeven.’ En in het PS: ‘Gaat het een beetje met je. en iemand zei dat Tirade beter was dan ooit, ik weet niet meer wie maar ik geef het toch maar door.’


En dan toch, in oktober: ‘Lieve Geert,/ heb je pret in je winkeltje? hierbij twee gedichten, die als je ze hebben wilt wel in Tirade kunnen.’

Geef de uitgever een vinger en hij neemt de hele hand, want in de zomer van ’69 wil Van Oorschot voor het najaar alweer een nieuwe bundel aanbieden, ‘die dus in het najaar niet hoeft te verschijnen’. Waarom dan toch aanbieden? Omdat Herzbergs bundels nu beide goed verkopen en Van Oorschot vermoedt dat de boekhandelaars een derde daarom in groten getale zullen inkopen. Wachten ze, en slinkt de verkoop van de eerste bundels, dan daalt ook het aantal van de voorbestelling. Uitgeverslogica, waar geen speld tussen te krijgen is.

 

 

 

Herzbergs repliek is helaas niet in de archieven terug te vinden, wel nog twee volgende briefjes van Van Oorschot: hij vraagt voor het decembernummer van Tirade, dat wederom volledig aan de poëzie zal worden gewijd, om ‘een paar mooie gedichten’ van Herzberg. Die schreef ze. In het meinummer van Tirade stonden, als mijn uitzoekwerk klopt, ‘Sommige woorden’, ‘Witte verf’ en ‘De ‘day after’ pil’. Dat laatste gedicht zou worden opgenomen in de bundel Strijklicht. En het titelgedicht stond in december 1968 al in het tijdschrift, met toen nog als titel de latere ondertitel: ‘Over de sloomte en snelheid van meeuwen’:

 

 

Ze hebben het peinzende arctische glijden
hahaha uit de hoogte in langzaam
voorbijgaan maar ook wel het snelle
bemoeiziek gemekker van geiten.
 
Ze kunnen zo lang op een plek blijven hangen
dat hun schaduwen op de rotsen plakken.
 
In het donkerend uur als de grond nog wel warm,
alleen zee nog belicht is, spetteren zij
om de lichtende klip als vonken uit een vuur.

 

 

Zo blijkt dat de dichter zonder een uitgever niet kan vliegen, maar dat ’t vliegwerk het beste gaat als de dichter het moment en de vlucht bepaalt: schaduwen die plakken of vonken die uit een vuur spetteren.