Ooit ‘dichters van morgen’, nu verdwenen in de nevelen van de tijd

In 1958 zagen 59 jonge dichters hun poëzie verschijnen in de door Ad den Besten samengestelde bloemlezing Dichters van morgen. Een beloftevolle titel, maar van de meesten werd daarna nog zelden gehoord. 

 

In oktober 1957 schreef Uitgevers-Maatschappij Holland een prijsvraag uit voor ‘jonge talentvolle dichters, die tot nu toe geen bekendheid verwierven tenzij door een enkele tijdschriftenpublikatie’. Drijvende kracht achter deze prijsvraag was Ad den Besten die als redacteur van de Windroos-reeks – poëzie in kleine deeltjes, bij dezelfde uitgever – al diverse jonge dichters een podium had gegeven. 

 

Den Besten was enig jurylid. De eerste prijs bestond uit een bedrag van 50 gulden, de tweede prijs was 25 gulden, en de derde 10 gulden. Daarnaast waren er drie troostprijzen van 5 gulden. Dichters die wilden deelnemen aan de prijsvraag mochten op het moment van inzending niet ouder zijn dan 35 jaar. Ze mochten ten hoogste vijf gedichten insturen. Een selectie uit de inzendingen zou worden gepubliceerd in een bloemlezing die in het voorjaar van 1958 moest verschijnen. 

 

De titel van die bloemlezing was Dichters van morgen. Ze verscheen in het late najaar van 1958. Die vertraging is begrijpelijk, want Den Besten werd overstelpt met inzendingen. Er waren maar liefst 428 inzenders (bijna 2500 gedichten!), van wie er uiteindelijk 59 een plaats kregen. 


 

In het archief van Den Besten dat zich in het Literatuurmuseum bevindt, zit een uitgebreide correspondentie met vele van de inzenders. Een enkeling genoot enige bekendheid, omdat zij of hij al in een tijdschrift gepubliceerd had, een paar anderen stonden aan het begin van een indrukwekkende carrière, maar van de meesten werd nog zelden gehoord. Ik beperk me hier tot vier dichters die in de bloemlezing werden opgenomen maar die de literaire canon niet gehaald hebben, zelfs niet in een voetnoot. 

 

Als eerste een zekere Rein Parker, volgens de achter in het boek afgedrukte lijst ‘Bio- en bibliografische gegevens’ een pseudoniem. Hij stuurde vijf gedichten in. Uit het briefje dat zijn inzending begeleidde, blijkt dat hij op 5 februari 1930 in Jutfaas is geboren en in Sittard woont. In zijn antwoord deelt Den Besten mee dat hij drie van de vijf gedichten wil opnemen en vraagt hem om nadere gegevens. In de uitgebreide brief die Parker Den Besten dan stuurt, onthult hij zijn ware naam: ‘Jan de Ridder (helaas geen familie van Willem Elsschot)’. Hij wil niet dat deze in de bloemlezing wordt vermeld, omdat hij voor de klas staat en bang is voor vervelende reacties van leerlingen. Uit alles blijkt echter dat er geen brandende ambitie is om zich als dichter te manifesteren, sterker nog, de publicatie in Dichters van morgen lijkt zijn zwanenzang te zijn geweest. Noch onder zijn pseudoniem, noch onder zijn eigen naam is er nadien een bundel van hem verschenen. 

 

 

 

Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor Felicia Brand, eveneens een pseudoniem. Zij zond vier gedichten in waarvan twee eerder verschenen waren in het tijdschrift Sol Justitiae. Den Besten koos er twee. Zij wilde hem wel haar geboorteplaats en -datum prijsgeven (Schiedam, 22 september 1935), maar niet haar identiteit. Op 2 maart 1958 schreef ze Den Besten:

 

 

In antwoord op Uw brief moet ik U bekennen dat het inderdaad wel een beetje boze opzet van mij was om U zo’n donker fotootje te sturen. Heimelijk kreeg ik namelijk al visioenen van mensen die in de Utrechtse leeszaal [waar zij als bibliothecaresse werkte] het toekomstige boekje retour zouden brengen, het weer open zouden slaan en dan de gelijkenis ziende… ja wat dan? Ik ben tenslotte een verlegen meisje. 

 

Portret van ‘Felicia Brand’ uit het archief van Ad den Besten

 


 

Dankzij speurwerk van Niels Bokhove weet ik nu dat haar ware naam Maria Harmina (Mariet) Schmidt was. Na haar publicatie in Dichters van morgen heeft ze er in poëtische zin de brui aan gegeven en zich toegelegd op haar talent voor de beeldende kunst. Ze werd beeldhouwster en keramiste, aanvankelijk aardewerk, later porselein, en exposeerde regelmatig. Op 10 februari 2013 is ze in Laren (N.-H.) overleden. 

 

 

 

Ook de dichterlijke loopbaan van Rita Zandt, op 6 juli 1937 geboren in Groningen, is begonnen en min of meer geëindigd in Dichters van morgen. Uit de overgeleverde correspondentie is niet geheel duidelijk hoeveel gedichten zij heeft ingezonden: er werden er drie geplaatst, maar van een ervan, ‘Mystiek’, zit bij haar brieven geen handschrift of typoscript. Op 2 juni 1958 schreef zij aan ‘Geachte Meneer ten [sic!] Besten’: ‘Hopelijk kom ik niet te laat met het gedicht, dat Meneer W. v.d. Molen U nog voorlas en dat U ook wilde opnemen in Uw bloemlezing.’ En onder aan deze niet ondertekende brief: ‘Bijlage: “Mijstiek”’.

 

Een afzonderlijke bundel van haar is niet verschenen, wel duikt haar naam nog op in de rubriek ‘Dichtershoek’ in het Algemeen Handelsblad van 2 april 1960, waar drie nieuwe gedichten van haar afgedrukt worden. Maar daarna bleef het stil. 

 

 

 

Een ietwat ander geval is Julienne Huybrechts, die op 31 januari 1938 in Bandung is geboren. Van haar verscheen in 1961 de bundel Klein spartaans theater. Na jaren van stilzwijgen begon zij in 1988 weer met publiceren, zij het alleen vertalingen, niet van fictie, maar van boeken op het gebied van met name de beeldende kunst. Zij zond in totaal twaalf gedichten in, overigens op verzoek van Den Besten die enthousiast was over de eerste zending die hij van haar had ontvangen. ‘[…] u bent m.i. een van de talentvolsten, zéker gezien in verhouding tot uw leeftijd’, schreef hij haar op 12 februari 1958. Hij selecteerde uiteindelijk vijf gedichten. Maar niet dan nadat hij in dezelfde brief uitgebreid kritiek had geleverd en suggesties voor verbetering had gedaan: 

 

 

Nu heb ik uit uw beide inzendingen 5 gedichten gehaald, die, het een meer het andere minder, in aanmerking komen voor opname. Ik had echter wel graag, dat u bepaalde details daarvan nog eens even bekeek. De verzen die dan per slot van rekening het meest geslaagd zijn, neem ik op,- vermoedelijk niet alle vijf, maar toch wel een stuk of drie, dacht ik. Het gaat om de volgende verzen: 

[…] 

 

Verantwoording. Dat “diepste roeren” kan écht niet. In de tweede strofe is m.i. “je wijde handen” niet je dát; ik dacht even aan: “je handen wijd wijd naar me openvouwt”. Hebt u er verder iets tegen de laatste strofe in vijf regels te noteren, en dan regel 3/4 alsvolgt: “omdat je ongeweten/ mijn oorsprong en bestemming bent/ van al mijn daden de betekenis.” 


Opdracht. Dit gedicht heeft enkele moeilijk-onder-woorden-te brengen, maar uitzonderlijke kwaliteiten. Edoch ook een aantal aanwijsbare zwakheden. In regel 2 “sta ik…..gekanteld” acht ik nogal dubieus, gezegd van een uiteengewaaid lied. De tweede strofe is veel te praterig, met dat “waar” en “maar”. Ik begrijp trouwens het redelijk verband niet tussen regel 1 en 2. De “schermheer” is een soort woordkorting, die u als modern dichter niet meer moogt toepassen. Ook de drie volgende regels vind ik niet sterk, maar daarna wordt het uitstekend. 

 

 

Huybrechts nam zijn opmerkingen ter harte en ging er dadelijk mee aan de slag. Al op 24 februari stuurde ze Den Besten een brief met verbeteringen en aanvullingen. Den Besten antwoordde op 28 februari: ‘U bent met de herziening van uw verzen bepaald gelukkig geweest.’ Dat bracht hem tot het besluit alle vijf gedichten op te nemen. Maar een prijs kreeg ze niet, zelfs geen troostprijs. 


 

 

Het zou een beetje flauw zijn alle contribuanten van Dichters van morgen te betitelen als dichters die overmorgen niet gehaald hebben, want bijvoorbeeld Armando, Huub Oosterhuis en Mischa de Vreede hebben wel degelijk nog van zich laten horen. Maar de meesten van hen zijn, als dichter althans, verdwenen in de nevelen van de tijd. Een kwestie van gebrek aan doorzettingsvermogen en kwaliteit, of hebben de critici en uitgevers destijds zitten slapen? Ik denk het niet. Het was gewoon niet goed genoeg. 

 

Blader door de complete uitgave van Dichters van morgen op de website van de DBNL.