Tekeningen en cassettebandjes: de nalatenschap van F.B. Hotz

door Thomas Heerma van Voss

Wat blijft er over van een auteur? Het is een vraag die ik mezelf wel vaker stel, zeker wanneer ik de volle, soms uitpuilende archieven van het Literatuurmuseum mag bezichtigen. Afgelopen voorjaar zag ik daar de trombone van F.B. Hotz, trots uitgestald achter een vitrine – er bleken aan dit ene instrument talloze verhalen verbonden, die nadrukkelijk te maken hadden met Hotz’ literaire werk. Ik schreef erover en begon me in Hotz te verdiepen, in zijn vele krachtige bundels, zijn bijzonder scherpe en ook onderkoeld humoristische proza, zijn door een grote tragedie getekende levensverhaal.

F.B. Hotz in 1979. Foto: Philip Mechanicus

 

Er zijn twee dozen van Hotz in bewaring, vol met onder meer gesigneerde boeken en de correspondentie met zijn oom Herman Kunst. Deze brieven zijn verzameld in Een beetje levensbestemming (2002), bezorgd door Hotz’ biografe Aleid Truijens. Daarnaast te vinden in dit bescheiden archief: de opgeslagen ongepubliceerde brieven, foto’s, typoscripten, knipsels, prints van mails van de Hotz-erven; de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het lang niet allemaal interessant materiaal is, veel van de stukken zijn al bekend of stellen gewoon niet zoveel voor, of, ook mogelijk: ze hebben niet veel met Hotz zelf te maken (zoals de per mail vastgestelde plannen voor uitgaves na zijn dood). Toch is deze bescheiden nalatenschap wel boeiend, omdat met deze verzameling spullen bijzonder overtuigend twee van Hotz’ kenmerkende (en innemende) karaktereigenschappen worden geïllustreerd.

 

P.C. Hooftprijs

 

Ten eerste zijn onverwoestbare bescheidenheid. Zoals bekend debuteerde Hotz (1922-2000) pas op 51-jarige leeftijd en kreeg hij dus alle literaire erkenning pas later in zijn leven. Ondanks de vele lof leefde hij publiciteitsschuw en tamelijk teruggetrokken, hij vermeed grote woorden als het over zijn schrijfwerk ging, hij leek verbaasd over elke positieve kritiek die hem ten deel viel. Toen hij in 1998 de P.C. Hooft-prijs toegekend kreeg, kon hij dat nauwelijks geloven. En hij wilde – ook omdat zijn fysiek hem al grotendeels in de steek liet – dat de uitreiking bij hoge uitzondering zonder feestelijkheden plaatsvond, in klein gezelschap bij hem thuis. (Al zijn er ook mensen die dat juist niet bescheiden vinden, om zoiets groots juist zo naar eigen inzicht en voorkeur plaats te laten vinden.)

Grootmeester


In het goed behapbare Hotz-archief bevindt zich een gesigneerd exemplaar van de bundel Eb en vloed (1987): ‘voor Fred, die zelf mooiere verhalen maakt. In vriendschap.’ Wie was deze Fred, oftewel F.J.M. Smits? Getuige de brieven die over en weer zijn gegaan bleek de man Hotz af en toe cassettes toe te sturen, soms als antwoord op Hotz’ post, meestal geheel los daarvan – opnames van allerlei alledaagse taferelen; zoals Carmiggelt door de stad liep en overal materiaal zag voor zijn columns, zo nam deze Fred Smits zaken op die hij min of meer toevallig hoorde. Of zoals dochter Smits het in een mail (2015) verwoordt: ‘Hij vond het leuk om de dingen die hij meemaakte (zoals zijn zoektocht naar het Verzetsmuseum in Amsterdam dat net geopend was) te vertellen. (..) Hij maakte ook cassettebandjes met muziek.’ En, een typerend citaat: ‘Mijn vader heeft zijn verhalen nooit gepubliceerd. Bij mijn weten heeft hij ook nooit een poging daartoe gedaan.’

 

Anders gezegd: dit was een hobbyist, iemand die van tijd tot tijd zijn opnameapparatuur pakte en om de een of andere reden – zonder collegiale band of gelijkwaardige institutionele erkenning en vermoedelijk voortbordurend op die gedeelde liefde voor muziek – in contact was gekomen met Hotz. En Hotz behandelde hem in zijn brieven en briefjes gedurende de jaren tachtig vreemd genoeg alsof deze Smits de grootmeester was, en Hotz zelf een zoekende beginneling: niet alleen omdat deze Smits volgens hem ‘mooiere verhalen maakte’, ook schreef hij bijvoorbeeld op een ansichtkaart hoezeer de opnames telkens weer ‘indruk maakten’, hij noemde het werk van Smits ‘prachtig’ en ‘mooi’, hij is een en al waardering. Kortom: hij ziet deze enthousiaste man als geheel gelijkwaardige in de kunsten, toont ook in dit contact zijn grootse bescheidenheid. En het is uiteraard verleidelijk en ook gemakzuchtig om dergelijke karakteristieken meteen los te laten op de analyse van iemands literaire werk, maar: dit is in elk geval een houding die past bij de vaak volgzame en angstige hoofdpersonages uit Hotz’ verhalen, die hoort bij hoe hij zich tot de wereld verhield.

 


Basale, niet onaardige potloodtekeningen

 

Het tweede dat in het oog springt bij Hotz’ nalatenschap is de grote hoeveelheid tekeningen, allemaal uit 1931. Het zijn basale, niet onaardige potloodtekeningen, gemaakt met een bijna kinderlijk, onstuimig enthousiasme: veel strepen, veel nu onvermijdelijk ouderwetse auto’s, veel water, veel boten, een tram die natuurlijk Hotz’ doorbraakverhaal ‘De tramrace’ in herinnering roept – en eigenlijk nooit kleur of mensen. De paar afgebeelde figuren zijn hooguit zichtbaar als schimmen, gezichtloze en dus onherkenbare groepen. Ook hier is het te makkelijk om het tekenen te verbinden met Hotz’ latere schrijfwerk – ondanks de duidelijke overeenkomsten: de grote aandacht voor tijdgebonden details, de soberheid van de composities – en het is sowieso even verleidelijk als onzinnig om achteraf, als iemand eenmaal gevestigd is, bovenmatige waarde toe te kennen aan iedere jeugdgril of vroegere artistieke uitspatting. Maar: Hotz nam zijn tekeningen zelf aanvankelijk wel volledig serieus, net zoals hij zijn schrijven later serieus zou nemen, en dat is te merken. Volgens Truijens wilde hij aanvankelijk zelfs ontwerper worden, maar maakte De Tweede Wereldoorlog een einde aan die ambitie.

 

Wat laat dit alles nu zien? In elk geval dat Hotz’ zijn nuchtere blik en bescheiden houding allerminst poses waren. Dat die bescheidenheid een houding was die hij al voor het hele schrijven uitdroeg. Dat een archief, een verzameling bijeengebrachte brokstukken, altijd veel toont van iemands karakter, zelfs wanneer je dat in eerste instantie niet verwacht. Dat Hotz van jongs af aan al artistieke ambities had, en dat die er op allerlei manieren uit kwamen (de muziek natuurlijk niet te vergeten; er is zelfs bladmuziek in dit archief opgenomen). Dat zijn latere literaire erkenning zijn zelfvertrouwen niet bepaald opvijzelde en van hem allerminst een plots hooghartige kunstenaar maakte. Natuurlijk, wie de naam Hotz alleen vagelijk kent en echt overweldigd wil raken moet deze halve correspondentie met een onbekende en deze verzameling jeugdtekeningen voorlopig links laten liggen en gewoonweg zijn verhalen gaan lezen – maar toch: het zijn aangename aanvullingen en illustratieve voetnoten bij een boeiend leven dat leidde tot een geweldig literair oeuvre.