Waarom Carry van Bruggen nog altijd tot nadenken dwingt

Niet veel mensen weten nog wie Carry van Bruggen was. Jammer, stelt John-Alexander Janssen, want zij was niet alleen een productief schrijver, maar ook een invloedrijk filosoof.

‘The past is never dead. It’s not even past’, schreef Nobelprijswinnaar William Faulkner. Mooie zinnen. Maar zijn ze ook waar? Die – nu eens bezongen, dan weer vervloekte – levendigheid van het verleden voorkomt hoe dan ook niet dat we soms vergeten.

 

Neem Carry van Bruggen (1881-1932), over wie ik in het archief van het Literatuurmuseum een In memoriam lees. Geen middelbare scholier – ook voor studenten steek ik mijn hand niet in het vuur – in Nederland die nog weet wie deze opmerkelijke vrouw was. In ieder geval niet op het gymnasium waar ik zeven jaar lesgaf. Dat valt leerlingen moeilijk te verwijten. Docenten evenmin. In de boeken (en lessen) is nu eenmaal niet voor iedereen plek.

 

Carry van Bruggen in juli 1915. Tekening van A. de Meester.

Toch is het jammer, want Van Bruggen, een van de pseudoniemen van Carolina Lea de Haan (na een mislukt huwelijk met de journalist Kees van Bruggen trouwde ze kunsthistoricus Adriaan Pit, werd vervolgens Carry Pit-de Haan, maar bleef schrijven onder de naam Carry van Bruggen), was niet alleen een productief schrijver, maar ook een verdienstelijk filosoof. Een filosoof met – is dit niet het hoogst haalbare voor een denker? – invloed.

Uit het In memoriam: ‘Wie zonder vooroordeel kennis heeft genomen van de grondideeën van haar Prometheus en van haar Taalfetischisme moet gevoeld hebben dat daar een geïnspireerd denkster sprak, een moedig en vrij mens, niet geremd door (...) milieu of vak maar sprekende uit een hevig werkende, schijnbaar onuitputtelijke bron.’

 

Niet iedereen was zo lovend. Haar illustere tijdgenoot Johan Huizinga moest niets van haar werk hebben en weerde als redacteur stukken van haar hand uit literair tijdschrift De Gids; een andere intellectueel uit het interbellum, Menno ter Braak, was juist wel een bewonderaar. Maar misschien moet haar werk vooral worden genoemd in verband met een andere, latere intellectueel (al had hij tegen dat predicaat ongetwijfeld bezwaar gemaakt), Jérôme Louis Heldring.

Heldring, een van de meest erudiete commentatoren die ons land heeft gekend (na vijftig jaar schrijven voor wat NRC Handelsblad werd, typte hij in 2012 zijn laatste column), noemde Van Bruggen als een van zijn belangrijkste invloeden. Meermaals haalde hij haar aan, zoals tijdens een lezing (1985) over de grenzen van Europese solidariteit (en de perspectieven voor politieke integratie). In hoeverre was broederschap überhaupt mogelijk tussen naties?

Beperkt, luidde Heldrings antwoord. Maar laten we de redenering niet overslaan.

Mensen, stelde hij (Een Dilettant, Van Oorschot 1989, 264-265), worden ten aanzien van elkaar gekenmerkt door twee tegenstrijdige behoeftes: we willen ons verenigen en we willen ons onderscheiden. Voor zover de behoefte tot vereniging op een groep is gericht, is die afhankelijk van de vraag of we andere groepen als bedreigend ervaren. ‘Het ‘‘wij’’ veronderstelt dus een ‘‘zij’’.’ Solidariteit, concludeerde Heldring, impliceert dat er anderen zijn ten aanzien van wie we dat gevoel niet of minder koesteren. Solidariteit tussen naties – volgens hem in wezen grote groepen – kan alleen bestaan als er sprake is van (de perceptie van) een dreiging van buiten. Hier haalt hij Carry van Bruggen aan: ‘Een bond zonder tegenbond, zonder weerstrevend contrast (...) is alreeds een ondenkbaarheid.’

 

Een groep, meende Heldring, bestaat bij de gratie van individuen die hun identiteit laten overgaan in de groepsidentiteit, die zich zogezegd opheffen als subject. Waar echter met het ontstaan van de groep de individuele behoefte om zich te verenigen wel zo’n beetje is bevredigd, geldt dat niet voor de onderscheidingsbehoefte. Mede om deze reden zag hij een politieke unie in Europa niet snel tot stand komen. De (communistische) dreiging van buitenaf was eind jaren tachtig verdwenen en er waren te veel verschillen tussen de Europese lidstaten, reële verschillen.

‘Alles is contrast’, citeert Heldring Van Bruggen in een andere column (‘In de schaduw van Huizinga?’): ‘anders dan anderen te zijn is de voorwaarde van ons zelfbehoud.’

Natuurlijk is tussen de jaren tachtig en nu veel veranderd. Ook sinds 2012, het jaar van Heldrings laatste column. Zou hij bijvoorbeeld in de klimaatdiscussie – in de internationale onmacht om serieuze stappen te zetten – zijn gelijk bevestigd hebben gezien? Of is de door mensen gecreëerde klimaatverandering een dreiging van het kaliber noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van internationale solidariteit?

Ik hoop het laatste, al valt te betwijfelen of Carry van Bruggen mij op dit punt gerust zou hebben gesteld. ‘Distinctiedrift’, schreef ze, ‘is levensdrift.’ Het omgekeerde gold ook. ‘Eenheidsdrift is doodsdrift’ (Hedendaags fetisjisme).

Maar, moeten we per se een eenheid vormen om actie te ondernemen op basis van een gemeenschappelijk belang? Laat eenheidsdrift echt zo weinig ruimte voor het individu? Kan humaniteit niet universeel – en dus zonder onderscheid of contrast – zijn? Of is er altijd ook uitsluiting?

Ik wil het er graag met Van Bruggen en Heldring over hebben, maar ik moet het doen met hun werk.

Zoals het In memoriam besluit: ‘Maar voor velen is zij levend gebleven door haar boeken’. Het is waar. Voor allebei.