Wanneer moet een schrijver politiek stelling nemen? ‘Het gaat om het redden van onze levens’

Schrijvers laten zich niet dwingen politiek stelling te nemen. Rudy Kousbroek ondervond het toen hij in 1954 collega’s vroeg zijn pamflet tegen de herbewapening van West-Duitsland mede te ondertekenen.

 

Hoewel ik van het principe ‘leven en laten leven’ ben, jeukt het weleens. Dan gebeurt er iets in de literaire of politieke actualiteit wat schreeuwt om een vlammende reactie, maar telkens weet ik me dan op het nippertje te bedwingen, in de wetenschap dat het weinig favorabele tijden zijn voor opiniestukken. Tegenwoordig verzandt elke discussie immers al snel in twee egelstellingen, die vervolgens uitmonden in het eindeloos heen en weer gooien van verbale en andere bagger – de tijd van fatsoenlijk politiek debat lijkt voorbij, om nog maar te zwijgen van sierlijk geformuleerde polemieken à la Brouwers of Hermans, en intellectuele oefeningen als van Menno ter Braak, die zichzelf het liefst beschouwde als een politicus zonder partij. Toch blijft het knagen en twijfelt elke schrijver, zolang bij wijze van spreken de Derde Wereldoorlog niet op het spel staat, weleens of je niet toch partij moet kiezen en of de ‘vent’ zich wel altijd achter de ‘vorm’ kan verschuilen – om het op z’n Ter Braaks te formuleren. 

 

En zelfs dan. Want zo stuitte ik in het Literatuurmuseum op ‘Mit brennender Sorge’, een pamflet uit 1954 waarin Rudy Kousbroek waarschuwt voor een nakende wereldoorlog. Het interessante aan dit geval is dat Kousbroek al zijn collega-Vijftigers aanschreef om mee te ondertekenen, zodat iedereen kleur moest bekennen. Zo direct worden schrijvers zelden gemaand om partij te kiezen, dus dringend tijd om deze kwestie nog eens op te rakelen.

Waar ging het precies over? In ‘Mit brennender Sorge’ klaagt Kousbroek de herbewapening van West-Duitsland aan en de nationalistische leuzen die hun politici, negen jaar na de oorlogsnederlaag, mondjesmaat weer van stal halen. Wat hem daarbij nog het meest zorgen baart, is dat de West-Europese mogendheden hen laten betijen. Sterker nog, ze lijken de Duitsers haast aan te moedigen, want het Rode Gevaar is al wat de klok slaat, en daarom heeft Europa maar beter een goed bewapend land aan zijn grenzen met het Oostblok. We bevinden ons hier dan ook in de periode van de communistenjacht, die in Amerika met senator Joseph McCarthy zijn hoogte- (of beter gezegd dieptepunt) bereikt. Kousbroek vindt deze lakse houding tegenover erfvijand Duitsland onbegrijpelijk en vreest dat de herbewapening zal leiden tot een wapenwedloop die alleen maar fout kan aflopen. Kortom, er moet dringend iets ondernomen worden door de politici (en hij kijkt daarbij in het bijzonder naar de PvdA).

Kousbroek beseft echter dat een eenmansactie weinig zoden aan de dijk zal zetten, zodat hij zoveel mogelijke prominente Vijftigers mee wil laten tekenen. Hij schrijft zijn broeders aan en verdoezelt daarbij geenszins zijn intenties: 

 

Het doel is heibel, publiciteit voor die feiten die ik in het stuk heb geciteerd, publiciteit voor de gedachte dat de bewapening van Duitsland zeer waarschijnlijk oorlog betekent.

Het is Kousbroek menens ‘omdat wij riskeren ten onder te gaan in een grandioos bloedbad. [...] Het gaat om het redden van onze levens.’

Sommige beroemde collega’s (Vinkenoog, Lucebert) tekenen gezwind, anderen zoals Kouwenaar en Vroman weigeren al even resoluut, op grond van het argument dat kunstenaars niet aan politiek moeten doen. Zelfs niet in het licht van een Derde Wereldoorlog. Het zet de boel in ieder geval onder spanning en zorgt, zoals Vinkenoog voorspelde, voor een scheiding der geesten (waar provocateur Simon vrolijk aan toevoegt: ‘Des te beter!’). Het stuk splijt de redactie van het anders zo apolitieke Podium, hét tijdschrift van de Vijftigers.

Velen bevinden zich in een middenpositie, zoals Bert Schierbeek, die heel goed weet wat hij vindt, maar niet onmiddellijk ziet welke keuze dat met zich meebrengt. 

Zijn eerste reactie is er een van afkeuring omdat hij samenwerking met politici als ‘naïef idealisme’ beschouwt, maar hij bedenkt zich en schrijft in zijn volgende brief aan Kousbroek dat hij wil tekenen want: ‘ik ben van het begin af aan tegen de Europese Defensie Gemeenschap geweest, tegen bewapening van West-Duitsland, tegen het Amerika van Eisenhouwer… En nu ben ik tegen de zogeheten Europese eenwording van een Europa dat blijkbaar maar voor de helft meer mag bestaan op de kaarten der voorstanders.’

Het klinkt haast actueel in de oren, Schierbeek wil zich niet verschuilen achter literaire argumenten en lijkt zich met een kwinkslag definitief aan de kant van de ‘vent’ te scharen: ‘Je begrijpt dat ik ook niets voel voor de ivoren torens van de kunstenaars van weleer, al was het alleen dat het tegenwoordig doeltreffender is ondergrondse bunkers te hebben.’

Kousbroek is uiteraard verheugd met die reactie, om uiteindelijk toch teleurgesteld te worden wanneer Schierbeek andermaal van gedachte verandert: ‘Na eerste lezing dacht ik: tekenen. Natuurlijk. Maar na 10x lezen zeg ik nu: niet tekenen. En niet omdat ik het met de strekking niet eens ben, maar omdat ik je redenering, je middelen niet de juiste vind.’
 

Hij verklaart zich nader door te stellen dat de dichter geen expliciete maatschappijkritiek hoeft te uiten, want ‘de kunstenaar protesteert met zijn werk reeds tegen de hem omringende wereld en dus ook tegen de dreiging’. Daarbovenop nog eens uitdrukkelijk politieke standpunten innemen vindt hij alleen maar ‘vermoeiend’ en werkt ook averechts, hoezeer hij het ook eens is met de inhoud van Kousbroeks stuk.

Schierbeek tekent dus uiteindelijk niet en ‘Mit brennender Sorge’ veroorzaakt zoveel verdeeldheid dat het uiteindelijk in Podium verschijnt met alleen Kousbroeks naam eronder. Zoals hij zelf voorspeld had, loopt de hele zaak daardoor met een sisser af. Hoe ‘revolutionair’ de Vijftigers op sommige vlakken ook zijn, aan politiek willen de meesten zich uiteindelijk niet branden, laat staan dat ze partij kiezen.

Is dat dan een overwinning van het ‘vorm’-kamp? Het feit dat protest in sommige gevallen geen zin heeft, is natuurlijk geen reden om principieel nooit te protesteren, maar de schrijver is toch vooral een vent in zijn eigen persoonlijke overwegingen en artistieke keuzes – anders heeft hij het verkeerde beroep gekozen. 

Het geval ‘Mit brennender Sorge’ bewees voor mij vooral dat literair engagement geen zwart-witdiscussie is, en zelf kan ik me volmondig vinden in een doordachte middenweg zoals die van Schierbeek. Ik denk dan ook dat ik zelf nog maar even wacht met dat brandende opiniestuk, in de geruststelling dat ik met elk nieuw boek stiekem al een vorm heb gevonden om tegen de gang van zaken te protesteren. Voorwaarts, mars!