Jacques
Presser

1966

Bijzondere-prijs
Jacques Presser (1899-1970) kreeg de bijzondere prijs 1966 voor zijn boek Ondergang: de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom, 1940-1945.

Voor het eerst werd een geschiedkundig werk voorgedragen voor een letterkundige prijs, maar de jury had ‘duidelijke motieven’ die de toekenning van een bijzondere prijs ‘voor een in vele opzichten bijzonder werk’ rechtvaardigden:  

 

‘Bijzonder, niet alleen, omdat in geen enkel land, waar de Jodenvervolging heeft gewoed, een dergelijk werk is geschreven, maar ook, omdat de schrijver persoonlijk ten nauwste betrokken is geweest bij wat hij als geschiedenis beschrijft. Geschiedschrijving is nu eenmaal verslag èn verhaal. Juist in dit laatste, het verhaal, hoe sober ook gehouden, komen de schrijverskwaliteiten van deze auteur op voortreffelijke wijze tot uitdrukking. Hoewel het boek een objectief verslag is van historisch gestaafde feiten, kon het wel niet anders, of zijn persoonlijke betrokkenheid daarbij is op vele bladzijden duidelijk bespeurbaar. Een soms wrange humor, een bittere ironie, een vlijmscherpe spot bij schijnbare lichtvoetigheid en in het algemeen een diepe menselijke bewogenheid verlenen aan dit proza de accenten die dit werk veel meer dan een kroniek doen zijn: geschiedschrijving door een auteur, die zijn taal als een kunstenaar hanteert.’ 

 

De jury herinnerde aan de statuten van de Jan Camperstichting, die was opgericht ‘ter blijvende herdenking van de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945 tegen de Duitse bezetters’.  

'Geschiedschrijving door een auteur, die zijn taal als een kunstenaar hanteert.'

Prof. dr. J. Presser had in 1950 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) opdracht gekregen om de Jodenvervolging te beschrijven. Het boek verscheen in 1965, in de periode van het proces tegen Eichmann en het tweede Auschwitz-proces. In het eerste deel onderzoekt Presser de documentatie over de Jodenvervolging op chronologische wijze. In het tweede deel gaat hij in op het lot van de Nederlandse Joden in Duitse kampen, en beschrijft hij thematisch het Joodse verzet, de onderduik en de roof van Joods bezit. Het boek was een openlijke aanklacht tegen de Nederlandse samenleving tijdens de oorlog, waar het verzet niet zo eensgezind was geweest als in de jaren na de bevrijding gedacht werd.  

 

Presser wees in zijn werk op het belang van persoonlijke elementen bij de geschiedschrijving. Hij introduceerde in de jaren vijftig het ‘egodocument’ als een historische bron; dagboeken, brieven en memoires. 

 

‘De betekenis van Ondergang ligt vooral in de indruk van onontkoombaarheid, die deze presentatie van het materiaal bij de lezer wekt,’ schreef H. van Straten in Het vrije volk. ‘Het is een boek geworden dat men ondergaat, als een langzame toesnoering.’ 

 

Jacques Presser was hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef grote geschiedkundige werken, waaronder Tachtigjarige Oorlog (1941), Napoleon. Historie en legende (1946, Dr. Wijnaendts Francken-prijs), en Amerika: van kolonie tot wereldmacht (1949). Zijn novelle De nacht der Girondijnen was in 1957 als Boekenweekgeschenk uitgegeven en werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.  

Jury 

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Gerrit Kamphuis, A. Mout en Adriaan van der Veen.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 2.500 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op donderdagavond 6 april 1967 in het Haagse stadhuis.