J.J.
Oversteegen

1969

Bijzondere-prijs
J.J. Oversteegen (1926-1999) kreeg de bijzondere prijs 1969 voor zijn studie Vorm of vent.

In het proefschrift Vorm of Vent. Opvattingen over de aard van het literaire werk in de Nederlandse kritiek tussen de twee wereldoorlogen (1969) bestudeert Oversteegen hoe de Nederlandse critici, of althans de als critici optredende auteurs, tussen 1916 en 1940 over de kwestie ‘wat is literatuur?’ dachten. Er ontstonden twee polen, die Oversteegen typeert als enerzijds degenen die literatuur als een ‘rechtstreeks kontaktmiddel tussen schrijver en lezer’ opvatten, tegenover diegenen die literatuur zagen ‘als een bijzondere vorm van taalgebruik’. De ‘vorm of vent’-discussie heeft de Nederlandse literatuur en kritiek sterk beïnvloed.  

 

De jury prees behalve de hoge wetenschappelijke kwaliteit ook de ‘soepele, levendige en geestige stijl’, waardoor het voor een breder publiek een ‘boeiend en plezierig boek’ was geworden.  

 

Oversteegen was directeur geweest van de Stichting voor Vertalingen, en was sinds 1965 als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden aan de sectie Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Met Kees Fens en H.U. Jesserun d’Oliveira had hij in 1962 het essayistisch-kritisch tijdschrift Merlyn opgericht, dat tot 1966 zou bestaan.  

 

Bij het tijdschrift was Oversteegen als ‘meest scherpzinnige theoreticus’ van eminent belang geweest voor vernieuwing en herleving van de literaire kritiek in Nederland, schreef de jury. ‘Door zijn activiteiten en die van zijn medewerkers is een zekere impasse in de naoorlogse kritiek doorbroken, hetgeen zowel aan voor- als tegenstanders van de specifieke Merlyn-opvattingen ten goede is gekomen. Drie jaar na de opheffing van Merlyn heeft Oversteegen zijn polemische voorhoedegevechten en standpuntbepalingen in de actuele situatie afgesloten met een indrukwekkend overzicht van de kritische opvattingen en methoden in de Nederlandse literatuur tussen de beide wereldoorlogen. Dit boek is niet alleen een onmisbare informatiebron geworden over een onderwerp, dat tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht waas, maar het is tevens een stimulans voor verdere discussies en preciseringen en geeft bovendien nog een hechte fundering aan de ontwikkeling van de huidige literaire kritiek.’ 

 

Oversteegen promoveerde cum laude op 13 mei 1969. Het was in die dagen onrustig op de universiteit: enkele dagen later zou het Maagdenhuis bezet worden. ‘De promotie had in ongewone omstandigheden plaats,’ schreef de Volkskrant. ‘Daar de aula door discussiërende studenten in gebruik was genomen, kreeg de plechtigheid onderdak in een collegezaal van het universiteitsgebouw aan de Oudemanhuispoort, met hoogleraren zonder toga en een pedel in burger; alleen de promovendus en zijn paranimfen waren gekleed in de uniformen van het “ancien régime”, zoals de promovendus het zelf uitdrukte.’ 

 

Een ‘kolossaal en belangrijk boek’, schreef Wam de Moor in De Tijd. ‘Kolossaal, want het telt 331 dichtbedrukte bladzijden. Belangrijk, want niet alleen kan het onderwerp ervan zowat het kernprobleem van de literatuur genoemd worden, maar ook heeft Oversteegen een uiterst genuanceerd beeld gegeven van dit probleem, dat natuurlijk de lectuur in eerste instantie niet vergemakkelijkt, maar het boek wel brengt op het niveau van een onmisbaar standaardwerk.’ 

Jury 

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois en Gerrit Kamphuis.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 2.500 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op donderdagavond 11 juni 1970 in het Haagse stadhuis, tegelijk met de laureaten van 1968. In 1968 was de Constantijn Huygens-prijs, de grootste van de Jan Campert-prijzen, niet toegekend. Dit was vermoedelijk de reden om in 1969 geen uitreiking te organiseren.