Abel J.
Herzberg

1964

Constantijn Huygens-prijs
Abel Herzberg (1893-1989) kreeg de Constantijn Huygens-prijs 1964.

De Joodse advocaat Abel Herzberg zat met zijn vrouw Thea Loeb van 11 januari 1944 tot 9 april 1945 gevangen in Bergen-Belsen. Over dit concentratiekamp publiceerde hij in 1946 het boek Amor fati, waarvoor hij in 1949 de Dr. Wijnaendts Francken-prijs in ontvangst nam. De zeven stukken waren eerder als ‘opstellen’, zoals hij ze zelf noemde, te lezen in De Groene. Het dagboek dat hij in het kamp bijhield verscheen in 1950 onder de titel Tweestromenland. In dat jaar bracht hij ook zijn beroemde Kroniek der Jodenvervolging uit, die in 1952 werd bekroond met een Extra prijs van de Jan Campert-stichting.

 

Onmenselijkheid proberen te begrijpen, dat werd een hoofdthema in zijn werk. Naar aanleiding van zijn reportage Eichmann in Jerusalem (1962) zei hij: ‘Het gaat mij niet om het schrijven, het gaat mij om de mensen. De nazimisdaden zijn geen individuele misdaden, maar die van een systeem. Zij zijn een symptoom van de beschavingscrisis en ze zijn dan ook niet af te doen met een strafvervolging.’

 

De ‘mislukte mens’ boeide hem het meest: ‘Zulke mislukkelingen waren de nazibeulen, maar ook Saul en Herodes over wie ik mijn toneelstukken schreef.’

 

In 1964 was Brieven aan mijn kleinzoon verschenen, waarin hij schreef over zijn Russische herkomst. ‘Emigranten hebben geen vaderland,’ stelde hij, ‘zij proberen een vaderland te verwerven. Hun samenhang, berust waar ter wereld ook op ervaringen, maar zegt omtrent hun idealen niets.’

 

‘Hoog van gehalte,’ vond de jury zijn oeuvre. ‘Men zou het zelfs verheven kunnen noemen, maar dat adjectief roept associaties op met rhetoriek en exaltatie, en deze zijn hem geheel vreemd. Zijn woordkeus is sober, de stijl vrij van elke overdrijving. Zo dragen zijn werken het karakter van kronieken. Hun waardige eenvoud doet juist daardoor het verbijsterend gebeuren, waarvan zij verhalen, des te duidelijker uitkomen. (…) Als het nageslacht, naar gehoopt mag worden, tot begrip en lering zich over de geschiedenis van deze jaren buigt, en tot Herzbergs werken gaat, dan zal het zeker de onverhulde gruwelijkheden leren, maar het zal tevens ondervinden hoe de geest, zij het dan veelal in ironische berusting, twijfelzucht en gelatenheid, ondanks alles, levend bleef. Dit is de onvergankelijke verdienste van zijn oeuvre.’

Jury

Van de jury onder voorzitterschap van A. Mout maakten deel uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois en Gerrit Kamphuis.

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 3.000 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op maandagavond 21 december 1964 in het Haagse stadhuis.

 

Credits portretfoto: Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad