Jeroen
Brouwers

1993

Constantijn Huygens-prijs
Schrijver Jeroen Brouwers (1940) kreeg de Constantijn Huygens-prijs 1993 voor zijn gehele oeuvre.

‘De boeken die ik heb geschreven vormen mijn biografie: zij zijn de voetstappen die ik nalaat op mijn weg,’ verklaarde Brouwers in 1982. ‘Al mijn boeken zijn autobiografisch en niettemin alle gelogen, – ik schrijf dan ook niet historie, maar literatuur: de mijne.’

 

Brouwers schreef romans, verhalen en novellen, drama, essays, polemieken en pamfletten, en egodocumenten. Hij was de samensteller van Zachtjes knetteren de letteren. Een eeuw Nederlandse literatuurgeschiedenis in anekdoten en werkte jarenlang aan zijn verzamelde essays over zelfmoord onder Nederlandstalige schrijvers, De laatste deur. Bij het grote publiek werd hij in de jaren tachtig bekend met zijn drie Indië-romans Het verzonkene, Bezonken rood en De zondvloed.

 

‘Liefde, literatuur en dood,’ dat zijn de thema’s, zei Brouwers zelf. En in een interview met Trouw, naar aanleiding van de bekroning, ging hij in op zijn zelfgekozen isolement, eerst in de Achterhoek (Exel), korte tijd op een woonboot in Uitgeest en tegenwoordig – op voldoende afstand van de Amsterdamse literaire wereld – in de bossen bij het Belgische Zutendaal. ‘Ik wil in een bepaalde asociaalheid leven. Neem alleen via parallelwegen deel aan het leven. Ik lees kranten en tijdschriften, zodat ik weet wat er in de wereld gebeurt, maar ik stap er niet in. In mijn boeken is het een vast thema. De hoofdpersonages zijn altijd mensen die statisch zijn. Ze zitten te wachten, bewegen niet. In Zonsopgangen boven zee is het een jongen die vastzit in een lift, in de Indië-trilogie is de ik een persoon die verdwaald is in steeds kleiner wordende straatjes en zich afvraagt: hoe kom ik hier weer uit? Ook de laatste roman Zomervlucht gaat over iemand die bewegingsloos thuis zit en niks doet.’

 

In het begeleidend essay bij de prijs gaat Bart Vervaeck in op de autobiografische kern in het oeuvre. In geen enkele fase van Brouwers’ schrijverschap zijn de grenzen tussen de genres scherp te trekken, omdat hij in zijn werk voortdurend elementen in een andere samenhang en door de genres heen herneemt, en ‘alle genres die Brouwers beoefent horen samen, omdat ze stuk voor stuk autobiografisch én polemisch zijn. Het autobiografische aspect is zonder meer duidelijk: Brouwers kan niets schrijven dat geen betrekking heeft op hemzelf.’

 

Brouwers begon zijn carrière als journalist bij De Geïllustreerde Pers in Amsterdam en werkte van 1964 tot 1976 bij de Brusselse uitgeverij Manteau, voordat hij volledig beroepsschrijver werd. Zijn eerste verhalenbundel Het mes op de keel verscheen in 1964, voor zijn eerste roman Joris Ockeloen en het wachten (1967) ontving hij de Vijverberg-prijs. Zijn werk werd veelvuldig bekroond en dit was de eerste oeuvreprijs die Brouwers ontving.

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Hugo Brems, Han Foppe, Anton Korteweg, Janet Luis, Nicolette Smabers, Jan van der Vegt, Herman Verhaar, Sarah Verroen, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 10.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 17 december 1993 in Den Haag.

 

Credits portretfoto: Annelies Flinterman