A.
van der Hoogte

1956

F. Bordewijk-prijs
Albert van der Hoogte (1909-1970) kreeg de  F. Bordewijk-prijs 1956 (toen nog Vijverberg-prijs genoemd) voor zijn roman Het laatste uur.

Het laatste uur. Een kroniek uit het na-oorlogse Indonesië was al in februari 1953 verschenen. De roman was gebaseerd op Van der Hoogtes ervaringen als substituut-officier van justitie en auditeur-militair in Nederlands-Indië, van 1945 tot 1948 in Bandoeng en van 1948 tot 1950 in Soerabaja. 


Begin 1951 was Albert van der Hoogte teruggekeerd naar Nederland. Hij werkte bij de gemeente Den Haag op de afdeling Kunstzaken en was secretaris van het Haags Cultureel Centrum. Tot 1 september 1954 had Van der Hoogte ook secretariaatswerkzaamheden verricht voor de Jan Campert-Stichting, voordat Gerrit Kamphuis werd benoemd tot secretaris-penningmeester.


Het Vaderland had Het laatste uur besproken: een sober maar ‘verre van droog’ boek dat ‘op een bijzonder gevoelige manier, scherp-observerend, en zónder enige politieke vooringenomenheid, een helder beeld geeft van een verwarde en bewogen tijd in een zeer realistisch verhaal’. Het dagblad had ook Van der Hoogtes recent verschenen tweede koloniale roman Huis in de nacht (1956) gerecenseerd. Het laatste uur werd gepresenteerd en alom opgevat als een debuut, maar op 24-jarige leeftijd had Albert van der Hoogte al een ‘jongensboek’ uitgebracht: Uit Karels HBS-jaren. 


De jury vermeldde in haar rapport dat Van der Hoogte zich in zijn twee koloniale romans in tegenstelling tot andere schrijvers niet verdiepte in de ‘weemoedige herinnering of in het heroïsch aspect van de vooroorlogse tijd maar in de bewogen periode van overgang volgend op de Japanse overheersing’, aldus dagblad De Tijd. 


Wat Het laatste uur ‘zo aangrijpend maakt is de weergaloze compositie van uiterlijke chaos, innerlijke ontreddering en tegelijk het gloeien van brandende liefde voor het waarachtige in de mens,’ schreef recensente Emmy van Lokhorst in De Gids. Hoofdpersonage Opzomer ‘vertegenwoordigt “het recht” als officier van justitie maar steeds sterker groeit in hem de spanning, de opstandigheid tegen het onmenselijke in de mens en in de maatschappij. Dit boek kan niemand koud laten. Het is met de hartstocht van de kunstenaar geschreven, met twijfel en wanhoop, met mededogen en “heimwee naar zon en sterrenachten, waar geen plaats is voor haat en vergelding.”’ 


W.F. Wertheim in tijdschrift De nieuwe stem was minder enthousiast. In de roman vond men weliswaar ‘niets van valse romantiek, niets van zelfverheffing, niets van een idealisering van de Europeaan in de tropen’, maar Van der Hoogte miste het ‘dieper doorzicht, doordat de schrijver geen afstand heeft kunnen nemen’. Voor Wertheim was het dan ook geen ‘kroniek van het na-oorlogs Indonesië’. De roman vertelde ‘slechts de halve geschiedenis: die van het na-oorlogs Nederlands-Indië’.

 

Jury

De jury bestond uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois, Gerrit Kamphuis en A. Mout.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 1.500 gulden verbonden. De officiële uitreiking vond plaats op vrijdag 30 november 1956 in het stadhuis van Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Hans Roest