Geert
van Beek

1968

F. Bordewijk-prijs
Geert van Beek (1920-2001) kreeg de F. Bordewijk-prijs 1968 (toen nog Vijverberg-prijs genoemd) voor zijn roman De steek van een schorpioen.

Van Beek publiceerde in de afgelopen tien jaar vier novellebundels en twee romans, die volgens de jury ‘door hun structuur, hun stijl en de daarin vervatte thematiek in steeds toenemende mate getuigenis afleggen van een uniek schrijverschap’. De steek van een schorpioen (1968) was een voorlopig hoogtepunt in zijn werk. 


Het boek is een moderne ballade in proza, aldus de jury. In zevenentwintig fragmenten, die ‘steeds meer in elkaar grijpen en op elkaar betrokken blijken’, komt langzamerhand een grondthema aan het licht: ‘de onvruchtbaarheid, die de hoofdfiguur tijdens een verblijf in een Italiaans vacantieoord ervaart als een der vormen van wat hij in het centrale negentiende hoofdstuk noemt het “eeuwenlang gevecht tussen leven en dood”. 


Allerlei tegenstellingen, die in het boek worden opgeroepen, in liefdes- naast martelscènes, in de gedragingen van de medegasten van het hotel tegenover elkaar en tegenover de dieren, de omgeving en de inwoners, concretiseren dit “eeuwenlang gevecht” en vinden als het ware hun raakpunt in het hoofdthema. Deze techniek van indirecte, suggestieve aanduiding, door directe, concrete tegenstellingen, is niet alleen in de structuur en die voorstellingswijze te signaleren, maar eveneens in de stijl, zoals in de afwisseling van alledaagse en bijbelse taal, en in de combinatie van nuchterheid en pathos.’


Criticus Wam de Moor ging in dagblad De Tijd uitgebreid in op De steek van een schorpioen. Hij vond de katholieke schrijver op zijn best in de taferelen die getuigen van zijn liefde voor ‘de onvolwassene, het onbrute: het kind, het dier, vooral de puber, wankelend op de schutting tussen kind-zijn en volwassen-worden. (…) Vooral hier toont hij zich niet alleen een knap auteur, maar ook een authentiek schrijver, die onverstoorbaar zijn gang gaat en alle aandacht verdient.’


Geert van Beek, leraar Nederlands van beroep, debuteerde met de verhalenbundel Een hand boven de ogen (1960). In 1961 volgde zijn debuutroman Buiten schot, over een pacifist in oorlogstijd. De roman werd bekroond met de Anne Frank-prijs. In 1966 ontving hij voor zijn eerste vier titels de Provinciale prijs voor literatuur van de Provincie Noord-Brabant. In 1967 verscheen zowel zijn dichtbundel Van je familie moet je ’t hebben als de veelgelezen novelle Blazen tot honderd. 

 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois en Gerrit Kamphuis.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 2.500 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op donderdagavond 11 juni 1970 in het Haagse stadhuis, tegelijk met de andere laureaten van 1968 en alle laureaten van 1969. In 1968 werd de grootste van de Jan Campert-prijzen, de Constantijn Huygens-prijs, niet toegekend, vermoedelijk de reden om in 1969 geen uitreiking te organiseren.