A.F.Th.
van der Heijden

1986

F. Bordewijk-prijs
A.F.Th. van der Heijden (1951) kreeg de F. Bordewijk-prijs 1986 voor zijn roman De gevarendriehoek, deel 2 van De tandeloze tijd

In 1983 was Van der Heijden met de roman Vallende ouders begonnen aan zijn cyclus over Albert Egberts, die zich zou gaan afspelen in Nijmegen en Amsterdam. Er was toen overigens nog geen sprake van een cyclus, het plan was een trilogie te schrijven. De gevarendriehoek (1985) was het tweede deel. 


‘Het kan in eerste instantie misschien enige bevreemding wekken, dat een deel van een trilogie bekroond wordt, op een moment bovendien dat deze nog niet voltooid is,’ schreef de jury. ‘Maar De gevarendriehoek blijkt in zichzelf identiteit en kwaliteit te over te bezitten (…).’ Van der Heijden hanteert volgens de jury een superieure verteltechniek en heeft een groot beeldend vermogen. De gevarendriehoek is geen chronologisch vervolgdeel. ‘Integendeel, zou men bijna zeggen, “het leven in de breedte” wordt nog breder gemaakt: personages en gebeurtenissen, die in het eerste deel min of meer “en passant” werden vermeld, krijgen ruimer en specifieker kontouren. Met name de ambivalente relatie tussen Albert jr. en zijn vaak met een mes (“de kniep”) dreigende vader Albert sr., samengebald in de beschrijving van het moment dat de dronken vader zich met een ladder via Alberts slaapkamer toegang wil verschaffen, verschijnt hier als nieuw. Eveneens nieuw in dit tweede deel is het allesoverheersende motief van Alberts ontdekking van de seksualiteit, zijn latere impotentie en zijn poging die met alle denkbare middelen te overwinnen. Op buitengewoon knappe wijze speelt Van der Heijden, alleen al met de titel, een literair-semantisch spel. De gevarendriehoek; ruimtelijk de tuin van Alberts jeugd, is een tuin der lusten, zijn belevenissen daar zijn doordrongen van seksualiteit. Er zijn de (gesuggereerde) driehoeksverhoudingen tussen de volwassenen, met als mogelijk gevolg dat én Albert én Millie Händel, het meisje dat hij gebruikt om zijn impotentie te overwinnen, kinderen zijn van één en dezelfde vader, de broer van zijn vader, Egbert Egberts. De gevarendriehoek wordt zo tot het vaginaal symbool van Alberts onvermogen. Van der Heijdens oog voor het détail en de omzichtige beschrijving daarvan, zijn verweving van een complexe betekenislaag met schijnbaar alledaagse gebeurtenissen, maken dat zijn werk wel realistisch lijkt, maar het niet is.’


A.F.Th. van der Heijden debuteerde onder de naam Patrizio Canaponi met de verhalenbundel Een gondel in de Herengracht (1978, bekroond met de Anton Wachterprijs). In 1979 verscheen onder deze naam ook de roman De draaideur en in 1983 – voor Vallende ouders – de roman De slag om de Blauwbrug, proloog van De tandeloze tijd. 


Een dag na de toekenning in september werd bekendgemaakt dat Van der Heijden van de Stichting Amsterdams Fonds voor de Kunst ook de Multatuli-prijs 1986 zou krijgen voor De gevarendriehoek. Die jury schreef dat hij had ‘gewaagd een ontwikkeling van een jeugd in kaart te brengen op een dusdanig brede en geraffineerde manier, als na de Anton Wachter-cyclus van Vestdijk in de Nederlandse letteren niet meer is voorgekomen’.

 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Anton Korteweg, Harry Scholten, Jan van der Vegt, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 12 december 1986 in het Haagse stadhuis.

 

Credits portretfoto: Tonio van der Heijden