J.J.
Voskuil

1997

F. Bordewijk-prijs
J.J. Voskuil (1926-2008) heeft de F. Bordewijk-prijs 1997 ontvangen voor zijn romans Meneer Beerta en Vuile handen (Het Bureau I en II).

Na dertig jaar bij het P.J. Meertens-Instituut gewerkt te hebben, schreef J.J. Voskuil na zijn pensionering  een cyclus over zijn kantoorjaren tussen 1957 en 1987. Zijn sarcastische verslag van de eindeloze kantooruren, nutteloze onderzoeken en vervelende collega’s werd ongekend populair.  

 

In het eerste deel, Meneer Beerta (1995), is hoofdpersoon Maarten Koning aangesteld als adjunct-wetenschappelijk medewerker door het Instituut voor Volkskunde. Het is zijn taak om de Atlas voor Volkscultuur samen te stellen door volksgebruiken in kaart te brengen en te archiveren. Hij doet onderzoek naar het geloof in kabouters, een fenomeen als de ‘korenschrik’ en naar het ritueel om de nageboorte van paarden in de boom te hangen dan wel te begraven. Met de bandrecorder onder zijn arm interviewt hij boeren in het land over bijna vergeten werktuigen als ploegen en zeisen en noteert hij hun volkswijsheden.  

 

In Vuile handen (1996) begeeft Maarten zich verder in de slangenkuil die het intermenselijk verkeer voor hem betekent. Waar Maarten zich in het eerste deel nog lacherig kon opstellen als ondergeschikte van meneer Beerta, heeft hij nu een leidinggevende rol en raakt hij zelf versmolten met het instituut. Hij is echter nog steeds niet overtuigd van de zin van het werk dat hij en zijn collega’s verrichten, en in feite beschouwt hij alles als een absurdistisch toneelstuk dat ze met elkaar opvoeren. Als hij in Stockholm een lezing over de kerstboom moet houden, slaat die tot zijn grote schrik in als een bom.  

 

Voor Ton Anbeek vormt de zuinige stijl van Voskuil een absolute antipode in de literatuur van de jaren negentig, schrijft hij in het begeleidend essay, ‘alsof er in zijn proza een beeldenstorm heeft gewoed’. Desondanks houdt hij zijn lezers geboeid met de mechanische portrettering van Maarten zelf, zijn collega’s én zijn vrouw, die we al snel aan hun terugkerende eigenaardigheden leren herkennen. Anbeek koppelt dit aan Henri Bergsons theorie over het komische: gedrag wordt lachwekkend wanneer mensen iets van een automaat krijgen, en het is precies dit mechanische gedrag dat Voskuil ten volste uitbuit. Het besef dat Maarten enige voorsprong geeft is dat hij doorheeft ‘hoezeer hij in een gekkenhuis leeft: “Je moet het Bureau gewoon als een inrichting zien. Als je dat doet, dan wordt de rest vanzelf weer normaal”.’  

‘Alsof er in zijn proza een beeldenstorm heeft gewoed’

Ook in materieel opzicht richt Voskuil zich op volledigheid, en hij doet verslag van alle gebeurtenissen, gebaren, gesprekken en handelingen: ‘talloze kopjes worden vol koffie geschonken, op tafeltjes gezet, naar de lippen gebracht, op schoteltjes teruggeplaatst; ettelijke glaasjes jenever worden gedronken, sigaren opgestoken, pijpen gestopt, tafels gedekt, fiches getypt, briefdoorslagen gemaakt, tikmachines rinkelend doorgehaald. (…) Je zou kunnen zeggen dat Voskuil ook niet van literaire pretenties houdt. Hij wil de werkelijkheid op papier krijgen, niet een bouwwerk van verbeelding oprichten,’ schreef Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer

 

‘Ik heb dat hele boek, het hele Bureau, als één geheel geschreven. Pas daarna heb ik gekeken waar de cesuren zaten. Dat is ook de reden dat de delen van ongelijke grootte zijn,’ vertelde Voskuil in Trouw. Hij begon de cyclus omdat hij naar eigen zeggen een probleem had met het instituut en de wetenschap die daar bedreven zou worden. Maar ‘of lezers 5.500 bladzijden geboeid zullen blijven, dat interesseert me geen bal’, zei hij eens in een interview. ‘Daarvoor is het niet geschreven. Ik wilde rekenschap geven en dat is gelukt.’  

 

J.J. Voskuil debuteerde met de roman Bij nader inzien (1963), een minutieus verslag van zijn vriendengroep tijdens hun studententijd. De roman werd in 1990 door regisseur Frans Weisz tot een zesdelige televisieserie bewerkt. Daarna bleef het jaren stil tot, het Het Bureau. De reeks verwierf ondanks de enorme volumes een enthousiaste schare lezers die bij de verschijning van een nieuw deel in lange rijen voor de boekwinkels stonden.  

 

Jury

De jury bestond uit: Harry Bekkering, Hugo Brems, Han Foppe, Aukje Holtrop, Anton Korteweg, Janet Luis, Leonore van Prooijen, Nicolette Smabers en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op vrijdag 19 december 1997 in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Bert Nienhuis