K.L.
Poll

1990

G.H. ’s-Gravesande-prijs
K.L. Poll (1927-1990) ontving de driejaarlijkse G.H. ’s-Gravesande-prijs 1990 voor bijzondere literaire verdiensten, in het bijzonder voor zijn werkzaamheden als oprichter en enig redacteur van Hollands Maandblad.

‘De literaire journalist, redacteur, criticus, essayist, dichter en schrijver K.L. Poll heeft, naast zijn dagelijkse werk voor de krant en zijn andere – literaire, bestuurlijke en organisatorische – bezigheden, meer dan dertig jaar (en meer dan vijfhonderd nummers) het in 1959 door hem opgerichte Hollands Weekblad, sinds 1963 Hollands Maandblad, geredigeerd. Hij is erin geslaagd dat tijdschrift permanent op hoog niveau te houden en er voorgangers, generatiegenoten en ook steeds weer jongere schrijvers aan zich te binden in een liberaal en democratisch, eigenzinnig literair klimaat,’ schreef de jury. 

 

Hollands Maandblad bood een combinatie van essays, proza en poëzie door auteurs als Hugo Brandt Corstius, Leo Vroman, Dick Hillenius, Karel van het Reve, Charlotte Mutsaers en Erik Bindervoet.  

 

Op enkele kortstondige samenwerkingen na bleef Poll ‘de enige meester’ op de redactie, schrijft J.J. Peereboom in het begeleidend essay bij de prijs. ‘Het stemt tot zwijgend respect als wij bedenken wat hij allemaal getelefoneerd, gelezen, geprezen, afgewezen, ingeleverd en gecorrigeerd moet hebben.’ Ook het onderhandelen met drukkers en het bedenken van publiciteit en bijzondere aanbiedingen deed hij alleen. ‘Tegelijk weten wij, of wij vermoeden, dat hij zelden of nooit heeft gewenst dat hij omringd zou zijn door eminente medewerkers die zich overal mee bemoeien.’ Poll trok zich weinig aan van abonnee-aantallen of wisselende stichtingsbesturen en uitgevers ‘die af en toe meenden dat hun oordeel over de inhoud aandacht verdiende. Zo’n rebellie moest dan de kop ingedrukt worden.’ 

 

Ook bij de krant gingen zulke bemoeienissen vaak over een groter bereik voor een ‘zo breed mogelijk publiek’, schreef Rudy Kousbroek in NRC. Poll heeft altijd ‘verzet geboden tegen de lawine van oppervlakkigheid en modieus gewauwel die zich de laatste decennia over ons heeft uitgestort. Het is bon ton om daar wat ironisch over te doen, maar het is natuurlijk toch de enig juiste houding tegenover dat verschijnsel.’ 

 

K.L. Poll overleed precies een maand voor de uitreiking, op 14 november 1990. Hij was in 1954 begonnen op de redactie van Het Vaderland en werd chef kunstredactie van het Algemeen Handelsblad. Na de fusie met NRC introduceerde hij in 1970 hij het Cultureel Supplement (CS), destijds een noviteit voor een dagblad, waarin hij veel van zijn eigen kritieken en essays publiceerde. In 1983 zette Poll de Vereniging Onderwijs, Kunst en Wetenschap op (OKW), die tot doel had de invloed van de overheid op het culturele vlak te verminderen. Poll debuteerde met de dichtbundel Rakelings (1959), waarna nog drie bundels en de roman Emma Kwartier (1978) zouden volgen. Veel van zijn essays en kritieken werden gebundeld, o.a. in Zonder mirakels (1965), De eigen vorm (1967) en Het masker van de redelijkheid (1969). 

Jury 

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Han Foppe, Anton Korteweg, Nicolette Smabers, Jan van der Vegt, Herman Verhaar, Sarah Verroen, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking van de andere prijzen vond plaats op vrijdagavond 14 december 1990 in het oude stadhuis aan de Javastraat in Den Haag.