Atte
Jongstra

1998

J. Greshoff-prijs
Atte Jongstra (1956) kreeg de tweejaarlijkse J. Greshoff-prijs 1998 voor zijn essaybundel Familieportret.

Waar komt een schrijver vandaan, waar wil hij naar toe? In Familieportret (1996) gaat Atte Jongstra essayistisch op zoek naar zijn wortels. 

 

‘Hij is een schrijver die vanuit de boekenkast opereert,’ schrijft Arjan Peters in het begeleidend essay bij de prijs. ‘In zijn bibliotheek, niet in zijn leven, ligt de bron van zijn schrijverschap. Door andere rare boeken geïnspireerd, is hij de zijne gaan schrijven.’ Jongstra heeft een voorkeur voor ‘opengewerkt proza, waarin schrijvers naast het lopende verhaal veel vertellen over het vertellen (het schrijven) zelf’, zoals hij in zijn inleiding schrijft. De schrijvers die hij bewondert zijn schrijvers die het toeval in hun werk incorporeren, zoals Laurence Sterne, Willem Brakman, Multatuli, Montaigne en Gogol, zijn ‘voorvaderen’. Atte Jongstra is een ‘gedreven en humoristische bespreker van het werk van humoristische schrijvers’, aldus Peters, en Familiepunt vormt een scharnierpunt in zijn oeuvre: het legt zijn bronnen bloot ‘en warmt de lezer op deze bronnen zelf ter hand te nemen’. Hierna was het uit met de plaatjes, de noten, ‘de wemeling van namen en boektitels’; in zijn eerstvolgende roman, Disgenoten, die in de zomer van 1998 verscheen, ‘presenteert hij zijn geloofsbrieven (…) onverwacht ingetoomd en in bijpassend strakke stijl’.  

‘Het “opengewerkt” schrijven [is] vergelijkbaar met converseren,’

‘Het “opengewerkt” schrijven [is] vergelijkbaar met converseren,’ aldus Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer. ‘Zo omschreef Sterne het althans: “Schrijven, mits behoorlijk beheerd (en u mag aannemen dat het mijne dat is), is slechts een ander woord voor conversatie.” En Jongstra beaamt het: Sterne is een grillige prater, een groot redenaar die zich improviserend van het een op het ander laat brengen. “Meesterschap in de afdwaalkunde”, zo karakteriseert Jongstra de literaire capriolen van Sterne. Uit dat meesterschap blijkt dat Sterne heel goed weet wat hij doet, afdwalen is wat anders dan vrijblijvend rondbanjeren.’ Schutte typeert ook de essays van Jongstra als ‘opengewerkt’: ‘de essayist is er nadrukkelijk in aanwezig, hij bespiegelt soms expliciet over de vorm van zijn probeersels, laat zich leiden door associaties, laat het ene woord het andere oproepen’. 

 

Atte Jongstra is journalist, criticus en schrijver. Hij debuteerde met De multatulianen. 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde (1985). Zijn eerste verhalenbundel was De psychologie van de zwavel (1989, bekroond met de Geertjan Lubberhuizen-prijs), zijn eerste roman Groente (1991). Onder het pseudoniem Arno Breekveld publiceerde hij ook poëzie. Hij was redacteur van literair tijdschrift Optima.  

Jury

De jury bestond uit: Harry Bekkering, Aukje Holtrop, Jos Joosten, Anton Korteweg, Janet Luis, Leonore van Prooijen, Nicolette Smabers, Bart Vervaeck, Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 18 december 1998 in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Ben Wolson / Literatuurmuseum