Albert
Besnard

1953

Jan Campert-prijs
Albert Besnard (1887-1966) kreeg de Jan Campert-prijs 1953 voor de bundel Doem en dorst.

Albert Besnard was beroepsmilitair en van 1911 tot 1913 planter op Sumatra en Java. In 1919 begon hij aan zijn journalistieke carrière. Eerst bij De Telegraaf, een jaar later bij de Nieuwe Arnhemse Courant, waar hij J. Greshoff opvolgde als redactiechef en hoofdartikelenschrijver. Van 1930-1942 was hij hoofdredacteur van de Sumatra Post en onder het pseudoniem Dr. Anseb schreef hij voor deze krant onder meer het verhaal De grond van Deli

 

Zijn bundels Sonnetten (1917) en De bloei en andere gedichten (1923), beide in een kleine oplage verschenen in de bibliofiele Palladium-serie van Greshoff, waren in 1925 heruitgegeven als Opstand en wroeging, met een voorrede door Besnards goede vriend J.C. Bloem. Datzelfde jaar kreeg Besnard voor zijn gedicht ‘De stad’ de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam. 

 

‘Wanneer men de opvallendste eigenschap dier poëzie in een woord zou willen samenvatten,’ schreef Bloem in 1925, ‘kan dit niet anders dan “kosmisch” zijn. Maar dit woord is zoo vaag en waarschijnlijk daarom – zoo misbruikt. Het suggereert dadelijk een verbijsterende rataplan van hemelsche voorstellingen en begrippen, waarvan het eene al diepzinniger en ongrijpbaarder is dan het andere. En de poëzie van Besnard is juist het tegenovergestelde van vaag. (…) De wereld, en de menschen en steden daarop, en die wereld weer temidden van het heelal – dat is het onderwerp van vrijwel alle gedichten van Besnard. Mensch, aarde, heelal, steeds in het licht van elkaar gezien; het kleine steeds in verband met het grootere, maar het groote ook steeds doordrongen van het kleinere – een verbijsterend grootsch drama, waarin allen en alles meespelen, en niets te groot of te klein is voor de inhaerente tragiek dezer poëzie.’ 

 

Besnard werd vanaf 1942 geïnterneerd in verschillende Japanse kampen: in Belawan en Belawan Estate begon hij weer poëzie te schrijven. Daarna kwam hij in kamp Si Ringo Ringo, waar ook Rudy Kousbroek zat. In 1947, terug in Nederland, werd hij redacteur Indonesië bij het Algemeen Handelsblad.  

 

Dagblad De Tijd recenseerde Doem en dorst (1952): vormtechnisch was Besnard ‘meesterlijk’, en inhoudelijk getuigde hij van ‘een onstilbare Godsdrift, die hem machtig beheerst zonder dat het Godsbegrip in zijn werk een theologisch helder omschrijfbare gedaante aanneemt. (…) Straffe taalbeheersing biedt aan Besnard de gelegenheid, uit de ontmoeting van zijn Westerse ziel met het Oosterse landschap een diep dóór trillende belijdenispoëzie te scheppen, die boven een grond van weemoed de heldere glans der verrukking om al het goddelijke in het leven bewaart.’ 

Jury

De jury bestond uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois en A. Mout.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 500 gulden verbonden. De prijs werd woensdag 25 november 1953 uitgereikt in het stadhuis van Den Haag, voor het eerst in de avond.