Willem
Hussem

1965

Jan Campert-prijs
W. Hussem (1900-1974) kreeg de Jan Campert-prijs 1965 voor zijn bundel Schaduw van de hand.

‘De poëzie van de Haagse dichter W. Hussem heeft een geheel eigen plaats in de Nederlandse letteren ingenomen,’ aldus de jury. ‘Na de oorlog kregen zijn gedichten in steeds sterkere mate een eigen signatuur, die zich reeds duidelijk aankondigde in de bundel Steltlopen op zee van 1961, maar die in de laatste twee bundels (…) onmiskenbaar is geworden. Het meest opvallende, uiterlijke kenmerk van deze gedichten is hun kortheid en geconcentreerdheid. Merkwaardigerwijze zijn deze gedichten echter, ondanks hun beperkte omvang, niet klein te noemen. Haast steeds weet Hussem ons in enkele regels een ruimte te suggereren of een ervaring, die zich over jaren uitstrekt, in enkele seconden over te brengen. Deze uitwerking is te danken aan de verregaande concentratie, het vinden van het essentiële minimum, waarin het scherp waargenomen beeld of de grondig verwerkte ervaring wordt samengevat.’ 

 

Willem van Hussem was opgeleid als schilder. In 1960 vertegenwoordigde hij Nederland op de Biënnale van Venetië. De jaren twintig en dertig bracht hij grotendeels door in Frankrijk en pas terug in Nederland begon hij gedichten te schrijven, aangemoedigd door P.C. Boutens, J.C. Bloem en Clara Eggink. In de eerste bundels, De kustlijn (1940) en Uitzicht op zee (1941) was de invloed van deze dichters – en de groep rond het tijdschrift Criterium – nog merkbaar. Zijn schilderijen waren in deze periode al veel abstracter. Soberheid werd zijn handelsmerk, geleidelijk aan ook in zijn poëzie. Zen en oosterse kalligrafie en dichtkunst (zoals de haiku) waren belangrijke bronnen van inspiratie. Schaduw van de hand (1965) was zijn achtste bundel.  

 

‘Door de kristallisatie van zijn materiaal, door het terugbrengen tot een kern waar geen woord te veel in staat, krijgt het gedicht in de meeste gevallen bij hem een dubbele werking: het geeft iets weer, wat een beperking inhoudt; tegelijkertijd echter heeft het een verruimende werking, doordat de overgebleven kern, het gewonnen kristal veel meer facetten blijkt te bezitten, zodat nieuwe landschappen en situaties worden geschapen achter de beschrevene, ja, zelfs een landschapsbeschrijving plotseling een menselijke situatie blijkt te belichten en te verhelderen,’ schreef de jury. ‘Door subtiel spel met woorden en beelden wordt de dubbele-bodemwerking van deze verzen in vele gevallen nog versterkt, zijn klank krijgt onder- en boventonen, zijn lading verwekt inductiestromen en zijn beelden vertonen onverwachte weerspiegelingen. Het is bij Hussem niet zoals Nijhoff schreef: “Lees maar, er staat niet wat er staat”. Bij Hussem staat er wel degelijk wat er staat, maar er staat bovendien veel méér dan er staat.’  

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Gerrit Kamphuis, A. Mout en Adriaan van der Veen.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 2.000 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op woensdagavond 15 december 1965 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Ron Kroon / Anefo / Nationaal Archief, CC0