Hugues C.
Pernath

1974

Jan Campert-prijs
Hugues C. Pernath (1931-1975) kreeg de Jan Campert-prijs 1974 voor de bundel Mijn tegenstem. Gedichten, 1966-1973 .

‘Onder de dichters die kort na de Beweging van Vijftig aan het woord kwamen, heeft (…) Hugues Pernath van het begin af een unieke plaats ingenomen,’ aldus de jury.  

 

‘Het dichten van Pernath is een poëtisch verkennen en ontginnen van de verbindingen met zijn jeugd en met vroegere tijden, van zijn houdingen in deze tijd en zijn verhoudingen met de anderen: de vriend, de geliefde en de medemens of, zoals hij het noemt, de “verwante”. (…) De nu ter bekroning voorgedragen bundel Mijn tegenstem verscheen eind 1973 als een uitgave van de Antwerpse groepering de Pink Poets, waarvan ook Pernath deel uitmaakt. Dit laatste werk is ongetwijfeld een hoogtepunt, want al is het een rechtstreekse ontwikkeling uit zijn voorafgaand oeuvre, het vertoont wat Pernath zelf heeft genoemd “de late eenvoud van de meester”. In dit relaas van vriendschap en ontgoocheling weet hij nog overtuigender dan voorheen het hart en het harde, zijn sensibiliteit en zijn discipline te combineren in zijn specifieke “taal geboren uit de weigering”.’  

 

Zijn debuut was Het uur Marat, in 1958. Pernath werd beter bekend in Nederland nadat hij in 1961 de Arkprijs van het Vrije Woord ontving voor zijn bundel Het masker man. In 1961 verschenen ook de Soldatenbrieven, een greep uit de poëtische correspondentie met Paul Snoek, uit hun Mechelse kazernetijd. Pernath was tot 1960 beroepsmilitair, Snoek vervulde zijn dienstplicht. Met Snoek en anderen had Pernath in 1955 het Vlaamse avant-gardetijdschrift Gard Sivik opgericht. Andere bekende dichtbundels van Hugues C. Pernath waren Instrumentarium voor een winter (1963) en Mijn gegeven woord (1966).  

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Jacques den Haan, Gerrit Kamphuis en Harry Scholten.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 3.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op donderdagavond 19 december 1974 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Ben Wolson / Literatuurmuseum