Hans
Faverey

1977

Jan Campert-prijs
Hans Faverey (1933-1990) kreeg de Jan Campert-prijs 1977 voor zijn bundel Chrysanten, roeiers.

De jury memoreerde wat Faverey in 1971 in een interview in Soma had gezegd: ‘Wat ik communiceer is: mogelijkheden, dingen die je met de taal kunt uithalen en die de taal met jou kan uithalen.’ Toch moet de lezer geen verbaal spektakel verwachten, wat ‘direct opvalt is soberheid en precisie, waarbij het vers veelal gestalte krijgt in woordherhalingen en lichte verschuivingen in klank en betekenis. Toch gebeurt er binnen die taaldiscipline heel veel, water en land/leven en dood worden opgeroepen, zoals in het slotgedicht uit de titelreeks waarin acht roeiers steeds verder landinwaarts roeien, “met elke slag steeds verder van huis, uit allemacht roeiend;/ groeiend tot alle water weg is,/ en zij het hele landschap / vullen tot de rand”.’  

 

In de cyclus ‘Hommage à Sapfo’ schrijft Faverey: ‘Van Sapfo ben ik gaan houden/ sinds de vernietiging/ haar teksten heeft ingekort’. ‘De aspecten vernietiging en inkorting in deze belijdenis kunnen gelden als een karakteristiek van Faverey’s poëzie in deze bundel,’ aldus de jury. ‘Het is een poëzie die zich de vernietiging, de verstening van werkelijkheid in woorden, bewust is en juist vanuit dit besef resulteert in uiterste beweeglijkheid. En het is tevens een poëzie die woordrijke anekdotiek of exuberante gevoelsontlading inkort tot essentie.’  

 

Chrysanten, roeiers (1977) werd enthousiast ontvangen. Anton Korteweg schreef in Het Parool: ‘Wat Faverey naar aanleiding van z’n debuut beweerde, geldt nog steeds: het gaat hem niet om het door middel van een gedicht overbrengen van “een verhaaltje”, niet om het communiceren van een inhoud, maar om het weergeven van taalprocessen. Een dergelijke opvatting van poëzie komt in de buurt van die van Kouwenaar. Binnen die taalprocessen is alles mogelijk. Het onverbindbare wordt met elkaar verbonden.’ Faverey maakt bijvoorbeeld veelvuldig gebruik van de paradox als stijlfiguur.  

 

Hans Faverey debuteerde met de bundel Gedichten (1967), die in 1969 werd bekroond met de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam. In 1972 verscheen Gedichten 2. Men stond er onwennig tegenover, zijn poëzie werd als te hermetisch gezien. ‘Iedereen zag wel dat ze goed in mekaar zaten, maar alleen een enkeling kon er wat mee,’ schreef recensent Tom van Deel in zijn bespreking van de bundel in Trouw. Het pakte te technisch uit. ‘Stond ik eerst sceptisch en met onbegrip tegenover zijn werk, Chrysanten, roeiers durf ik gerust een van de beste bundels te noemen die er de laatste jaren verschenen is. Alle theorie van het vroegere werk lijkt me hier voldragen gepraktiseerd.’ De ‘enorme emotionele kracht’ kwam over. 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Jacques den Haan, Gerrit Kamphuis, André Matthijsse, Harry Scholten en Paul de Wispelaere.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 3.500 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op maandagavond 19 december 1977 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Philip Mechanicus / MAI