Robert
Anker

1983

Jan Campert-prijs
Robert Anker (1946-2017) kreeg de Jan Campert-prijs 1983 voor de bundel Van het balkon.

‘In deze poëzie is de aanschouwelijke werkelijkheid herkenbaar aanwezig,’ schreef de jury. ‘Er wordt gereisd, de wereld wordt beschouwd vanaf het balkon, er zijn haarscherp getekende herinneringsbeelden van een jeugd op het land. Maar nergens blijft Ankers poëzie zich uitsluitend op anekdotisch gebied bewegen. Zij fungeert niet als voertuig om terug te reizen naar de jeugd, zij is geen middel om ervaringen vast te leggen. De beschreven objekten, de opgeroepen herinneringen worden ondergeschikt gemaakt aan de wereld van het gedicht. Dat houdt in dat het woord- en beeldmateriaal een gevoels- en betekenislaag meekrijgt die een suggestie oproept van die andere wereld achter de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. In een essay in het tijdschrift De revisor spreekt Anker over “beelden van een onmetelijke rijkdom en droefheid, die de essentie van een heel leven lijken te bevatten”. Het is geen geringe verdienste dat Robert Anker zelf in zijn bundel door het raffinement waarmee hij de taal hanteert dergelijke beelden weet op te roepen. (…) Het is [het] door de werkelijkheid heen kijken tot in het landschap van de ziel, verankerd in evidente beheersing van poëzie-technische middelen, dat tot een intrigerende bundel maakt’. 

 

Dichter en essayist Robert Anker noemde dit zelf de ‘aanschouwelijk gemaakte abstractie’: ‘Het landschap, de dingen die ons omringd hebben, zijn de oorsprong van onze vervoering en melancholie en keren in het beeld terug.’ In zijn 3-delige poëzie-essay ‘Op zoek naar de olifant’ in Revisor (1982) schreef hij: ‘Als Jan Kuijper in de boot naar Ouderkerk stapt, ga je iedere keer opnieuw met hem mee, om telkens te ontdekken dat je minstens ook de Lethe bevaart.’  

'Er wordt gereisd, de wereld wordt beschouwd vanaf het balkon, er zijn haarscherp getekende herinneringsbeelden van een jeugd op het land,'

Anker debuteerde in 1977 met gedichten in De Revisor en publiceerde later ook in Tirade. Sinds 1977 was hij literair recensent voor Het Parool. Zijn debuutbundel Waar ik nog ben verscheen in 1979 bij uitgeverij Querido. Van het balkon (1983) was zijn tweede bundel. In een interview met H.M van den Brink in NRC zei hij begin 1984 over de twee bundels: ‘Mijn gedichten laten de zichtbare werkelijkheid intact, maar ze proberen te duiden op iets dat achter die werkelijkheid ligt. Symbolistisch — die karakterisering past het best.’ 

 

Maar het slotgedicht in Van het balkon is naar eigen zeggen – ‘als het al mogelijk is, en daar twijfel ik aan’ – ‘een soort afscheid van het symbolisme. Met de term symbolisme doel ik dan op poëzie die zich bezighoudt met een andere werkelijkheid achter de dingen, het “hogere”, het “wezenlijke”, iets voorbij het hic et nunc. Dat gedicht is een soort oproep aan mezelf om de wereld waarin ik ben niet over te slaan, om te kijken of de straat binnen mijn poëzie te halen is. In deze bundel stond verder de droomwereld nog centraal. Het slot van het titelgedicht luidt: 

 

Ik ga de trap op naar een licht balkon. 

De geuren uit de tuin zijn sterk als dromen. 

Daarom stuurt mijn wil naar hoger wonen. 

Ik steek alvast de vlag uit op de nok. 

Ik blijf mijn toekomst voor als ik blijf stromen.  

Het is een vlag die loswil van zijn stok.’ 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Pierre H. Dubois, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Anton Korteweg, André Matthijsse, Harry Scholten en Paul de Wispelaere.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 4.500 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 16 december 1983 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Gerrit Serne