H.H.
ter Balkt

1988

Jan Campert-prijs
H.H. ter Balkt (1938-2015) kreeg de Jan Campert-prijs 1988 voor de bundel Aardes deuren.

De jury prees Ter Balkts ‘overrompelende beeldenrijkdom’: ‘In Aardes deuren wordt “ooievaarwitte” koffie gedronken, er is sprake van “een op in regens ondergedompelde landweg lijkende eenogige kater”, de “evenaar licht op als een hazepad”, “alles was toen nog geest/ de tien geboden kleefden/ aan de tulp en de bosrank”. Mag die beeldspraak, geïsoleerd uit de context, al verrassend zijn, in de gedichten zelf functioneert zij optimaal en betrekt zij op indringende wijze de lezer bij de wereld-gezien-door H.H. ter Balkt. In die wereld zijn de scheidslijnen tussen al het bestaande vervaagd of weggevallen. Alles is bezield: mens, dier, plant, hoefijzer, tot weggegooid eten toe. In Aardes deuren trekken die etensresten in processie op naar het bal. 
 

Opstandige gevoelens om wat de wereld wordt aangedaan of zich aandoet, zijn niet vreemd aan Ter Balkts poëzie, er is ook veel weemoed om wat is vergaan, maar wat overweegt is toch vooral een intense liefde voor al wat bestaat. Ooit heeft Ter Balkt gewezen op de troostende werking die van poëzie kan uitgaan. Daaraan voegde hij toe: “Het helpt allemaal niet, maar je moet wèl geloven dat het helpt.” De hoge kwaliteit van de gedichten in Aardes deuren maakt het de jury gemakkelijk op dit punt niet kleingelovig te zijn: het helpt wel degelijk een beetje.’  

 

In 1969 was het gissen naar de identiteit van Habakuk II de Balker, die de bundel Boerengedichten had uitgebracht. Zijn beeldenrijke, associatieve, barokke gedichten gingen volstrekt in tegen de poëtische mode, die in die jaren bepaald werd door Gard Sivik en De Nieuwe Stijl. Zijn onafhankelijkheid heeft hij weten te bewaren. De gloeilampen. De varkens (1972) werd bekroond met de Herman Gorterprijs. Waar de burchten stonden en de snoek zwom (1979) was de eerste volledige bundel die hij onder zijn eigen naam publiceerde. Achterop stond een credo:  

 

Alles is één. Daarom mag blik meedoen en zilver meedoen, de benzinepomp en de vogelschrik, het kruispunt en de zandweg; het stof; het uranium; de snoek, de marskramer en de stad Londen. 

 

Want de poëzie is wat moet en niet kan, wat zou moeten kunnen maar niet mag, wat kan en niet moet, wat welvoeglijk is en niet passend, wat korrekt is maar onfatsoenlijk. 

 

‘Volle, bevlogen, repeterende poëzie is dit: poëzie die je moet horen, die wil klinken,’ schreef T. van Deel over Aardes deuren in Trouw. ‘Ter Balkt kan prachtig over de natuur schrijven over bosanemonen of het rapenveld. Alleen hij kan de dichter zijn van deze karakteristieken van de raap: 

 

Ach, rapen 

verzonken dikbuikige engelen 

Jullie vleugels groengenerfd loof 

Jullie vleugels, blauw-overschaduwd  

Vertel mij niets.’ 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Anton Korteweg, Jan van der Vegt, Herman Verhaar, Anne de Vries, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 16 december 1988 in het oude stadhuis aan de Javastraat in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Bob Bronshoff