Miriam
Van hee

1989

Jan Campert-prijs
Miriam Van hee (1952) kreeg de Jan Campert-prijs 1989 voor de bundel Winterhard.

De hele poëzie van Miriam Van hee gaat over paradoxale spanningen, schrijft Hugo Brems in het begeleidend essay. ‘Stilstand en beslotenheid die zowel verstarring en vervreemding als veilige schuilplaats betekenen, de onmogelijke droom van actie en van een dynamisch bestaan, maar dat ook afgewezen wordt omdat het agressie en vernieling meebrengt. Rond die kern groeperen zich alle thema’s en motieven, zoals eenzaamheid, melancholie, twijfel, afscheid, wachten, herinnering, winter, reizen, kijken, verlies, dwalen…’  

 

Al vanaf het begin was de taal sober en gebruikte ze weinig metaforen. Met de bundel Ingesneeuwd verdween de ‘ik’ als lyrisch subject en kwam er een grotere distantie, beschrijft Brems. Winterhard kenmerkt zich door ‘weemoedig ironisch anarchisme’ en sociale opstandigheid. Er is sprake van een ‘optimistische wending’; ‘Of toch tenminste iets wat in de buurt komt van blijheid, een vleugje revolutie. De titel “Winterhard” zegt dat al: het is een hard en koud woord, maar het drukt een overwinning uit op die koude en hardheid: winterbestendig, zoals gezegd van planten die de winter overleven, dood schijnen, maar in de lente weer uitschieten.’  

 

‘Juist vanwege het streven naar onopvallendheid is haar poëzie opvallend,’ schreef criticus Hans Warren.  

 

Van hee publiceerde haar eerste gedichten al in 1973 in het Gentse tijdschrift Koebel, maar het zou tot 1978 duren voor haar debuutbundel Het karige maal verscheen. Ze kreeg er de Oostvlaamse prijs voor Letterkunde voor. Binnenkamers en andere gedichten, 1977-1980 en Ingesneeuwd volgden in respectievelijk 1980 en 1984. Winterhard (1988) was haar vierde bundel.

 

Ze werd aanvankelijk wel tot de Vlaamse nieuwe romantiek gerekend, maar maakte daar zelf bezwaar tegen. Ze behoort niet tot een stroming en is al helemaal geen romanticus, zei ze in 1985 in een interview met De Waarheid. ‘Het eerste waar je bij het horen van romantiek aan denkt is aan het creëren van een parallelle leefwereld, omdat onze wereld niet voltooid is. Ik heb nooit geprobeerd om te vluchten, integendeel, ik wil deze wereld weergeven zoals hij is, zoals hij op mij overkomt. Wat mij bijvoorbeeld aantrekt in de Russische dichters, is hun engagement. Die stonden met hun voeten in de werkelijkheid en gingen de consequenties van hun daden niet uit de weg.’  

 

Miriam Van hee schrijft stadspoëzie, volgens criticus Hans Groenewegen. ‘Haar gedichten zijn geschreven vanuit het perspectief van iemand die geïsoleerd is van het buitenleven in de stad; van iemand voor wie de realisering van verlangens en dromen onmogelijk is geworden.’ De isolatie wordt al in de titels van haar laatste twee bundels gethematiseerd: ‘Iemand die leeft in een stad in een ingesneeuwde positie en van daaruit geen contact kan maken met wat er buiten omgaat. In het woord “winterhard” wordt dit isolement nog bestendigd.’  

 

Van hee is Slaviste en vertaalster. Met de dichter Marc Braet startte ze de poëziereeks van het Masereelfonds, waarin Vlaamse dichters en vertalingen werden gebracht van dichters als Anna Achmatova, Pablo Neruda, Tahar Ben Jelloun en Cesare Pavese. Haar eerste twee bundels verschenen bij het Masereelfonds, daarna publiceerde ze bij De Bezige Bij. In 1988 werd ze docente Russische literatuur en grammatica aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen.

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Anton Korteweg, Jan van der Vegt, Herman Verhaar, Anne de Vries, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 15 december 1989 in het oude stadhuis aan de Javastraat in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Michiel Hendryckx