Jan
Kuijper

1990

Jan Campert-prijs
Jan Kuijper (1947) kreeg de Jan Campert-prijs 1990 voor de bundel Tomben.

 

Credits portretfoto: Annelies Flinterman

In de sonnetten in Tomben (1989) laat Kuijper zich inspireren door zeven eeuwen Nederlandse poëzie. Het zijn grafschriften in sonnetvorm. Van Hendrik van Veldeke tot Hooft, De Harduyn, Leopold en Pierre Kemp, ‘de afgestorvenen van onze zandberg draaien zich om in hun nieuwe tomben, waarop hier en daar nog iets van hun eigen woorden te lezen is’, aldus de flaptekst. De citaten van dode Nederlandse dichters rukte hij zoveel mogelijk uit hun verband, zei hij in een interview met NRC. En hij koos er bewust niet voor hun stijl te imiteren: ‘Ik heb bijvoorbeeld niet geprobeerd om de stijl van Boutens na te volgen. En om de stijl van Gorter als sonnettendichter lach ik me altijd een hoedje. Als ik dat zou navolgen krijg je een soort slapstick en dat lijkt me niet zo geschikt.’ 
 

Een ‘letterdief’, was Kuijper volgens de jury. ‘Een woordendief, een zinnendief, hij is de vijfvoetige-jambendief van de Nederlandse poëzie. Een brutale dief bovendien, want aan ieder gedicht hangt hij een kaartje met de naam van zijn slachtoffer. Maar ook een eerlijke dief, want hij brengt uiteindelijk al het ontvreemde weer terug in de schatkamer van de Nederlandse poëzie, royaal met rente aangevuld tot veertien regels. (…)  

'Een woordendief, een zinnendief, hij is de vijfvoetige-jambendief van de Nederlandse poëzie,'

Wie van zijn verbazing over Kuijpers inspiratiebron bekomen is, raakt al snel gefascineerd door de afwisseling in deze gedichten van muziek en stilte, van woorden en wit, van scherpzinnig geredeneer en speelse associaties, van impressionistische, groteske en droombeelden, van diepe duisternis en verrassende helderheid. Al doet hun strakke vorm anders vermoeden, de sonnetten van Jan Kuijper hebben de beweeglijkheid van stormachtige herfstluchten, waarin van alles langswaait: tijd en eeuwigheid, openbaarheid en schaamte, de maat van alle dingen, God en Bach, droom en verlangen, dood en leven, maar ook een kermisorgel, een chocoladepaashaas en Winnetou. Als deze gedichten ingewikkeld zijn – en dat zijn ze vaak – dan komt dat door deze veelheid, een veelheid die niet is toe te schrijven aan de volwassen geleerde die de dichter soms lijkt, maar eerder aan het onderzoekende kind dat hij in wezen is, en dat hij herhaaldelijk ten tonele voert.’  

 

Jan Kuijper debuteerde in 1973 met Sonnetten, was sinds 1975 redacteur bij uitgeverij Querido en daarnaast sinds 1984 redacteur van De Revisor. Voor zijn tweede bundel Oogleden (1979) ontving hij de Herman Gorterprijs. In de bundel Bijbelplaatsen (1983) verwerkte hij Bijbelcitaten. ‘De dichter lijkt door bepaalde teksten persoonlijk aangesproken,’ zei Kees Fens daarover. ‘Met die teksten gaat hij binnen het sonnet een strijd aan. In het nieuwe verband krijgt de oude tekst er verschillende dimensies bij, maar de verwijzing naar de vindplaats en de situatie daar kan niet vergeten worden.’ Tomben is Kuijpers vierde bundel. 

Jury 

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Han Foppe, Anton Korteweg, Nicolette Smabers, Jan van der Vegt, Herman Verhaar, Sarah Verroen, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 14 december 1990 in het oude stadhuis aan de Javastraat in Den Haag.