Tonnus
Oosterhoff

1998

Jan Campert-prijs
Tonnus Oosterhoff (1953) heeft de Jan Campert-prijs 1998 ontvangen voor zijn bundel (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum .

‘Een poëzie van sensaties, meer dan van overwegingen, van kleur en geluid meer dan van wereldbeelden’, dat typeert het oeuvre van Tonnus Oosterhoff. ‘Het geeft eerder uitdrukking aan angsten, sensaties en verbazingen dan aan contemplaties en wijsheden. En de lezer doet er beter aan het allemaal te ondergaan dan het te willen snappen.’ 

 

Zowel zijn taalgebruik als typografie is uniek, vervolgt Rob Schouten in het begeleidend essay. Oosterhoff speelt een taalspel, waarbij hij de ‘wildste associatieketens toelaat, zijn taal uit alle mogelijke bronnen put en het allemaal ook nog eens op hoogst ongebruikelijke wijze vormgeeft’. Maar zijn poëzie is meer dan alleen spel: de beweeglijkheid van de taal creëert ook een beweeglijkheid van de gedachten. ‘Zo wil het taalspel in (Robuuste tongwerken,) niet voor rede vatbaar worden, maar de rede juist ontregelen. (…) In Oosterhoffs gedichten schept niet de heldere maar de ontregelde, impulsieve, creatieve geest de poëzie.’  

 

Waar Oosterhoff in eerdere bundels zijn thema’s nog beheerst vormgaf, vertonen zijn gedichten in (Robuuste tongwerken,) steeds meer poëtische durf, schrijft Schouten, en wijkt hij steeds verder af van het gangbare. ‘Zo ontstaat bijna een “poésie concrète”: ze drukt geen irrationaliteit meer uit, ze ís irrationeel. Je zou kunnen zeggen, de hoofdpersoon vreest het onbegrip dat de wereld oplevert niet langer, maar hij exploiteert die.’  

'In Oosterhoffs gedichten schept niet de heldere maar de ontregelde, impulsieve, creatieve geest de poëzie’

‘De ironie verdoezelt, lacht alles weg, terwijl het groteske de werkelijkheid juist demaskeert en haar in haar ontstellende gebrek aan zin en discretie te kijk zet,’ schreef Peter de Boer over de bundel in Trouw. ‘Het emotionele effect van zijn poëzie houdt daarom vaak het midden tussen een lach- en een huilbui. (…) Dat de menselijke komedie in haar diepste wezen en “over de volle breedte” een tragikomedie is, is een waarheid waar je na lezing van deze prachtbundel niet meer omheen kunt.’  

 

‘De lezer [staat] voortdurend voor verrassingen, want bijna ieder gedicht vergt een andere wijze van lezen,’ schreef Piet Gerbrandy in de Volkskrant. ‘In Oosterhoffs nieuwe bundel worden, om de aan de orgelbouw ontleende terminologie van de titel aan te houden, vele registers bespeeld, maar de klank van het totale instrument is duidelijk herkenbaar.’ 

 

‘Springlevend’, zo noemde Vrij Nederland de gedichten in (Robuuste tongwerken,)een stralend plenum. 

 

Tonnus Oosterhoff is dichter, schrijver en essayist. In 1990 debuteerde hij met Boerentijger, dat de C. Buddingh’-prijs ontving. Voor Ingeland (1993) kreeg hij de Herman Gorter-prijs. Als prozaïst debuteerde hij met de verhalenbundel Vogelzaken (1991). Zijn roman Het dikke hart (1994) werd bekroond met de Multatuli-prijs. 

Jury

De jury bestond uit: Harry Bekkering, Aukje Holtrop, Jos Joosten, Anton Korteweg, Janet Luis, Leonore van Prooijen, Nicolette Smabers, Bart Vervaeck, Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 18 december 1998 in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Ellen Karelse