Peter
van Lier

1999

Jan Campert-prijs
Peter van Lier (1960) heeft de Jan Campert-prijs 1999 ontvangen voor zijn bundel Gegroet o...

Hij schrijft over bedrieglijk eenvoudige zaken: een rups, een vlinder, een biertje in de achtertuin. Een dagje strand. In heldere taal creëert hij een zo concreet mogelijke wereld. Maar, schrijft Yra van Dijk in het begeleidend essay, ‘met al zijn nederigheid heeft Van Lier wel degelijk iets groters op het oog. Het is een gewichtige filosofische exercitie die hier met vederlichte middelen wordt uitgevoerd.’ 

 

Als je Van Liers essay Van absurdisme tot mystiek leest, over metafysica in Nietzsche, Beckett en Heidegger, begin je te begrijpen wat er voor de dichter op het spel staat, schrijft Van Dijk. ‘“De mens is een zijnde onder de zijnden, niet een zijnde tegenover de dingen.” Door het in-de-wereld-zijn kan de mens de dingen betekenis geven. Wat we ons bij dat in-de-wereld-zijn moeten voorstellen, demonstreert Van Lier in zijn gedichten.’ 

 

In een poging het nihilisme te overwinnen benoemt Van Lier met een opzettelijk naïeve blik de dingen een voor een opnieuw. Zo heet hij ze opnieuw welkom in de wereld én brengt hij de lezer in een ‘ontspannen, bijna gelaten stemming die het mogelijk maakt je daadwerkelijk tot de dingen te verhouden.’ (…) “Dromend, werkelijk, / dromend”: door de werkelijkheid in te sluiten in de droom geeft [hij] aan in welke gemoedstoestand de realiteit ondergaan moet worden, om haar pure aanwezige schoonheid te kunnen waarderen. Door de loomheid kan de dichter zich openstellen voor het “gewoon gebeurde”, dat ook bij Heidegger zo belangrijk is. Maar er is een belangrijk verschil tussen de mystiek van Heidegger en die van Van Lier. De dichter hanteert een eigenzinnige esthetica die hem van de filosoof onderscheidt. Het gewoon gebeurde krijgt bij hem een esthetische toevoeging: “wat bestaat, bestaat, en mooi”.’  

 

En zo, concludeert Van Dijk, onderscheidt de dichter zich niet alleen van de filosoof, maar ook van een groot deel van de generatie dichters waartoe hij behoort. ‘De werkelijkheid, in het modernisme veroordeeld tot de leegte, moet weer aan het niets worden onttrokken en het is die mooie nieuwe wereld die in de titel van zijn tweede bundel gegroet wordt. (…) Het leven is alleen al een feest door de ons omringende, bestaande werkelijkheid, die mooi is en puur omdat ze bestaat. Daar moeten we ons geluk uit putten. “Zie, zie dan toch”, zo spoort Van Lier ons aan om te leren “kijken met plezier”. Hij werpt zijn schijnbaar naïeve blik op de werkelijkheid en verzucht vervolgens tevreden: “Zo mooi, alles”. En je gelooft hem.’  

 

‘Een dichter die de werkelijkheid bekijkt alsof deze pas geschapen is,’ schreef Tom van Deel in Trouw. ‘Hij heeft aandacht voor de gewoonste gebeurtenissen en begroet de meest voordehand liggende dingen, die door zijn woorden in een bijzondere belichting komen te staan. Alsof ze voor het eerst worden gezien zoals ze zijn.’  

 

‘Van Lier heeft een bundel geschreven die van de eerste tot en met de laatste letter overdacht is. Het boek zou beschouwd kunnen worden als een kleine, scherpzinnige studie van het – inderdaad buitengewoon vreemde – verschijnsel opgewektheid,’ schreef Piet Gerbrandy in NRC

 

Peter van Lier is dichter en essayist. In 1994 publiceerde hij het filosofisch essay Van absurdisme tot mystiek, dat te lezen is als de basis van zijn poëtica. In 1995 debuteerde hij met de dichtbundel Miniem gebaar, dat werd bekroond met de Prijs van De Vlaamse Gids. 

Jury

De jury bestond uit: Harry Bekkering, Aukje Holtrop, Jos Joosten, Anton Korteweg, Janet Luis, Leonore van Prooijen, Helga Ruebsamen, Bart Vervaeck en Ad Zuiderent. 

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 euro verbonden. De feestelijke prijsuitreiking vond plaats op vrijdagavond 17 december 1999 in Den Haag.

 

Credits portretfoto: Ben Wolson / Literatuurmuseum