Jan
Eijkelboom

2003

Jan Campert-prijs
Jan Eijkelboom (1926-2008) heeft de Jan Campert-prijs 2003 ontvangen voor zijn bundel Heden voelen mijn voeten zich goed .

Een ‘opgewekte melancholie’ is wat de poëzie van Jan Eijkelboom kenmerkt, schreef Peter de Boer in Trouw. In alleen al de titel klinkt de zelfspot door: ‘Wie zo nadrukkelijk stelt héden goed ter been te zijn, suggereert daarmee stilzwijgend dat het op andere dagen weleens strompelen geblazen is. Een titel met een vitale lading kortom, waar een zweem van monkelend getoonzette weemoed overheen ligt.’ 

 

‘Deze positie tussen monterheid en weemoed is typerend voor Eijkelboom,’ vervolgde de Boer. ‘Hij is geen man van uitersten. In al zijn bundels laat hij zich kennen als een nuchter-bevlogen dichter, die het licht en het duister wel ziet en benoemt, maar het liefst daar waar ze in grijze tussentinten op elkaar inwerken. Het thema van de ouderdom komt eveneens weer aan bod, soms ironisch, zoals in “Kras”, en soms met die fascinerende mengeling van ernst en luchtigheid waarop Eijkelboom het patent heeft: 

 

Dat onstuitbare 

 

Houden ze zich aan elkaar overeind? 

Hoe dan dat onstuitbare te duiden 

van hoe zij voortgaan, voetje voor voetje 

weliswaar, maar vastberaden. 

 

Al wordt dat weer gelogenstraft 

door haar verdwaalde halve lach 

waarnaast zijn fonkelnieuw gebit 

het zonlicht evenaart. 

 

Hij heeft nog alles voor haar over: 

haar tasje bungelt 

aan zijn reusachtige hand. 

 

Je zou er inderdaad melancholiek van worden, ware het niet dat dit gedicht door de uitgekiende woord- en beeldkeuze emotioneel zo fraai in balans is.’ 

 

Op 53-jarige leeftijd was Jan Eijkelboom gedebuteerd met de dichtbundel Wat blijft komt nooit meer terug (1979), die direct een breed publiek vond. De gouden man (1981) werd bekroond met de Herman Gorterprijs. In 1994 ontving hij de Anna Blamanprijs voor zijn gehele oeuvre. 

 

In het begeleidend essay wijst Ad Zuiderent op de vele invloeden van ‘het eiland Dordrecht’ in Heden voelen mijn voeten zich goed (2002). Als getogen Dordtenaar werd Eijkelboom in 1991 ereburger, en in 2002 werd hij tot stadsdichter benoemd. In zijn gedichten weet hij ‘Dordrecht [te] verluchten, verlichten en verheerlijken en deze stad in één poëtische moeite door in wezen overbodig te maken. Niet alleen de dichter gaat aan de stad, het water en de dingen voorbij, ook stad water en dingen gaan voorbij.’ 

 

‘Zijn gedichten hebben een hoog Hollands gehalte,’ schreef Arie van den Berg in NRC. ‘Maar achter de eenvoud van zijn beelden en woorden schuilt het raffinement. Wie meent dat poëzie zo barok moet zijn als het werk van Lucebert en Pfeijffer, zal zich wellicht onbehaaglijk voelen bij de aardse thematiek en toon van dit Zuid-Hollandse oeuvre. Maar hoe verstaanbaar Eijkelbooms poëzie ook is, eenvoudig is ze niet, en evenmin eenduidig. Paradoxen ontbreken niet; maar ze tonen zich niet, zoals bij talige dichters, in de bewoording. Bij Eijkelboom uit het paradoxale zich in de toonzetting, die zich plastisch omschrijven laat als een balts tussen bescheidenheid en vitaliteit.’ 

 

In 1954 was hij medeoprichter van het tijdschrift Tirade en als journalist werkte hij voor onder meer Vrij Nederland en Het Vrije Volk. Eijkelboom was een gewaardeerd poëzievertaler van onder meer John Donne, John Clare, Emily Dickinson en W.B. Yeats. 

Jury

De jury bestond uit: Harry Bekkering, Yra van Dijk, Koen Hilberdink, Aukje Holtrop, Jos Joosten, Anton Korteweg, Janet Luis en Bart Vervaeck. 

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 euro verbonden. De feestelijke prijsuitreiking vond plaats op vrijdag 12 december 2003 in het Letterkundig Museum in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Roeland Fossen