Albert Plasschaert

(1874-1941)

Glazenier, schilder en kunstcriticus Albert Charles Auguste Plasschaert schreef naast kunstkritieken en -studies ook poëzie, die werd gepubliceerd in onder meer De Gids, De Nieuwe Gids, De Stem en Den Gulden Winckel. Hij gebruikte daarvoor dan meestal het pseudoniem A. Pelgrym. J. Greshoff schreef over zijn gedichten: ‘Zij hebben een barokke, hooghartige en schuwe gevoeligheid in beeld en geluid, men kan hier, zonder contradictio in terminis, spreken van een intellectueele gevoeligheid.’

Vervaardigd 1927
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 79 x 97 cm

Albert Plasschaert

door Toon Kelder (1892-1973)

Als Het Vaderland in 1957 in de rubriek Vergeten figuren aandacht besteedt aan Albert Plasschaert, dan betreft het Plasschaert de dichter. Want, zo merkt de krant op, zijn studies over schilders worden nog altijd gelezen en geraadpleegd. Plasschaert was in zijn tijd ‘een der beste kenners van de moderne schilderkunst in Nederland’ en een belangrijk en gevreesd kunstcriticus.

Een van de kunstenaars die hij volgde, was Toon Kelder, de maker van dit portret. Hij was aanvankelijk vooral een schilder van romantische naakten, maar werd later een beeldhouwer die abstracte sculpturen maakte. Drie jaar voor dit werk, portretteerde hij ook M. Nijhoff. Op 7 november 1925 opende  Plasschaert in De Haag een overzichtstentoonstelling van de ‘jonge schilders’ Kelder en W. Schuhmacher en in hetzelfde jaar publiceerde hij in Onze kunst over Kelder, in een reeks die bedoeld was een ‘weinig erkenden of weinig gewaardeerden schilder, of anderen plastischen kunstenaar’ onder de aandacht te brengen. ‘Het vroegere was misschien vlot, maar het miste den innerlijken toon’, zo schrijft Plasschaert. ‘Kelder is een talent; een colorist. Hij is een colorist, die in het donkere gamma (het gamma van onzen tijd) het belangrijkst is; en woudt ge zijn stillevens eenigszins bepalen naar werk, dat ge reeds kent, dan zoudt ge kunnen beweren: hij is verwant aan Suze Robertson, zooals een man en een moderne verwant kan zijn aan de tragische schilderes van een voorbije periode.’

In de jaren 1925-1927 verzorgde Plasschaert in het diverse cursussen ‘met lichtbeelden’. Naast grootheden als Vincent van Gogh, Jan Sluyters en Jan en Charley Toorop besprak hij ook Kelder. Het Vaderland, dat zo’n avond versloeg, schreef dat de spreker in Kelder de ‘van nature tot schilder geschapene’ ziet, ‘die onze schilderkunst zal verdiepen en verrijken’.